jaargang 130, nr. 3, 5 februari 2021

Het coronavirus heeft grote invloed op ons leven. Wat voorheen vanzelfsprekend was, is nu opeens niet meer mogelijk. Er is geen onderdeel van het leven waar je de invloed van de beperkende maatregelen niet ondervindt. Politiek en maatschappelijk is ondertussen veel onrust. Het kabinet trad af vanwege de toeslagenaffaire. Complottheorieën en overheidsmaatregelen mobiliseren sommigen tot openlijk protest.  Wat doet dat alles met ons? Op welke wijze beïnvloedt de huidige situatie ons geloven? In dit artikel ga ik na wat de Bijbel zegt over gelovig leven in tijden van schaarste, beperkingen, onzekerheden en onrust.  

Ik schrijf dit artikel op 20 januari, de dag waarop premier Rutte en minister De Jonge opnieuw een persconferentie geven waarin verdere beperkingen worden bekend gemaakt. De zoveelste in een rij inmiddels. Telkens opnieuw werden er in de afgelopen maanden maatregelen bekend gemaakt. Soms waren het versoepelingen. Vaker waren het verstrengingen. Het roept steeds weer de vraag op: Wat kan er nog wel en wat niet meer? Wat raken we met deze maatregelen kwijt in onze bewegingsvrijheid?  

Voorrechten
Vrijwel alles wat vanzelfsprekend leek, is ondertussen niet vanzelfsprekend meer. Nooit gedacht dat het onmogelijk zou zijn om met niet meer dan enkelen in een kerkgebouw te zijn voor een kerkdienst. Nooit gedacht dat we in Nederland in een situatie zouden komen waarbij de gezondheidszorg in haar voegen kraakt. Met als gevolg dat operaties en behandelingen moeten worden uitgesteld. Die pijnlijke knie of heup, die vervolgbehandeling die je eigenlijk toch wel nodig hebt: we moeten er vooralsnog maar even mee zien te leven. Net als dat we moeten leven met eenzaamheid en letterlijke afstand tot onze geliefden. Wie had kunnen denken dat zelfs een eenvoudig bezoek aan huis verboden wordt? 
Nu dit alles in ieder geval tijdelijk wegvalt, voel je aan den lijve hoezeer je gehecht bent aan dergelijke voorrechten. Wat je voorheen wel wist en geloofde, wordt nu noodgedwongen bevinding. De mogelijkheden om in vrijheid en zonder angst en zorg om een virus het leven ten volle te leven, zijn geen vanzelfsprekendheden. Het zijn voorrechten, die uit Gods genadige hand je toekomen. Je wist het wel ergens en beleed het met zondag 9 van de Catechismus. Nu echter voel je, ervaar je het ook. De coronacrisis werpt je terug op de kern van de dingen. Waar gaat het nu echt om en wat is onmisbaar? En wat wordt juist ontmaskerd als misbaar?  

 Jakob
Dergelijke vragen brengen ons in het gezelschap van verschillende Bijbelse personen. 
Waar komt het voor een christen in deze tijd op aan? Voor een antwoord op die vraag ben ik op zoek gegaan naar Bijbelse kroongetuigen, aan wie we ons zouden kunnen spiegelen. 
Als eerste kwam ik terecht bij Jakob. In Genesis 33 zijn we getuige van de ontmoeting tussen Jakob en de broer met wie hij gebrouilleerd is: Ezau. 
Aan die ontmoeting gaat een hele familiegeschiedenis vooraf. Jakob had het eerstgeboorterecht met de daarbij behorende zegen ontvangen. Ezau had het ooit voor een bord eten aan zijn jongere tweelingbroer verkocht. Hongerig en moe was hij teruggekomen van de jacht. Jakob was als moeder Rachels keukenprins linzensoep aan het koken. Hij had zijn kans schoon gezien. ‘Verkoop mij dan eerst je eerstgeboorterecht.’ Ezau was er onverschillig mee omgegaan. ‘Zie, ik ga toch sterven; wat moet ik dan met het eerstgeboorterecht?’ De deal was snel gesloten. Met een eed zwoer Ezau dat hij in het vervolg de tweede zou zijn en niet meer de eerstgeborene (Gen. 25: 29 e.v.). 
Toen vader Izak oud geworden was en blind, had Jakob zich met list en bedrog voorgedaan als zijn broer Ezau. Zo had Izak Jakob de eerstgeboortezegen meegegeven. Een zegen die Jakob beloofde dat de HEERE hem overvloed zou geven. Volken zouden de nakomelingen van Jakob dienen en hij zou heersen over zijn broers. Voor Ezau bleef een veel magerder belofte over. Hij zou zijn broer Jakob moeten dienen en kon alleen leven door wat hij zelf met zijn zwaard veroverde. 
Als je deze twee zegenspreuken vergelijkt, valt meteen op dat de naam van God wel genoemd wordt in de zegen die Jakob krijgt, maar niet in de zegen die Ezau krijgt. Het wordt duidelijk: Gods zegen zal op Jakob en zijn nageslacht rusten. De overvloed die hun ten deel zal vallen, zal voortkomen uit Gods voorzienige hand voor Zijn volk. De zegen voor Ezau en zijn nakomelingen werpt in feite terug op eigen kracht en veroveringen.  

Angst, beven én gebed
In Genesis 33 keert Jakob terug naar Kanaän. Met angst, beven én gebed gaat hij richting Ezau. Hoe zal het staan met de woede die zijn broer voor hem heeft gekoesterd? Jakob biedt aan Ezau een omvangrijk geschenk aan, om hem gunstig te stemmen. 
Ezau verwelkomt Jakob echter hartelijk. Het hele leger aan dieren dat Jakob hem had aangeboden, wil hij aanvankelijk niet aannemen. Voor Ezau hoeft het verleden niet meer opgerakeld te worden. Hij is zelf inmiddels een vermogend man geworden. Je hoort hem zeggen: ‘Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven.’ Jakob antwoordt daar echter op met de woorden: ‘Aanvaard toch mijn geschenk, dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb.’  

Bezit
Opnieuw valt op dat je Ezau de naam van God niet in de mond hoort nemen. Terwijl Jakob zijn rijkdom verbindt met de ontvangen zegeningen van God. In het gesprek van deze broers wordt duidelijk hoezeer hun blik op hun welvaart verschilt. Ezau beroemt zich in het vele dat hij heeft. Het is zoveel, dat hij aangeeft het ruime geschenk van Jakob echt niet nodig te hebben. Jakobs ruimhartigheid geeft aan dat hij zijn bezit ziet als genadegaven, ontvangen uit Gods hand. Jakob verbindt zijn rijkdom en welstand met precies de gebeurtenis die hem zoveel angst en zorgen had gegeven voor de ontmoeting met zijn tweelingbroer. De wijze waarop hij het eerstgeboorterecht had verkregen, is de wortel daarvan. Het eerstgeboorterecht zelf en de beloftevolle zegen is echter het Woord waar Jakob bij leeft. Dat maakt hem vrijgevig. Hij leeft in tegenstelling tot zijn broer ten diepste niet bij zijn bezit. Hij leeft bij de belofte van de HEERE.  

Kwantiteit of kwaliteit
Dat maakt het verschil tussen veel hebben of kunnen zeggen dat je alles hebt. Het duidt niet op de kwantiteit van het bezit, als zou Jakob meer bezitten dan Ezau. Het duidt op de kwaliteit van het bezit. Jakob heeft het over een ander soort bezit dan Ezau. Hij bezit Gods beloften. 
Dit inzicht kan ons vandaag helpen om de beperkende maatregelen in het juiste perspectief te zien. De maatregelen nemen weliswaar veel van ons af. Dat kan zwaar zijn. Wanneer je echter let op de kwaliteit van wat een christen bezit, blijft het belangrijkste over. God heeft Zijn belofte gegeven als een Vader te willen zorgen en in Christus is Zijn belofte van eeuwig leven ja en amen. Het coronavirus is niet in staat dat van ons af te nemen. Integendeel: het schept juist de ruimte om dat opnieuw proefondervindelijk te waarderen.  

Jozef
Een andere Bijbelse figuur die ons in dit verband een spiegel voorhoudt, is Jozef. Ook voor hem geldt dat hij een veelbewogen levensweg achter zich heeft. Veracht door zijn broers, is hij vanuit de put slaaf geworden. Als slaaf komt hij in de gevangenis terecht. Nadat hij de droom van de Farao heeft uitgelegd, wordt hij verhoogd tot onderkoning. Als onderkoning wordt hij crisismanager. Zeven vette jaren vol overvloed gaan vooraf aan zeven magere jaren. Jozef neemt voorzorgsmaatregelen en in de zeven vette jaren wordt voedsel apart gelegd om de zeven magere jaren te overbruggen. 
Dwars door dit alles heen loopt zijn familiegeschiedenis. Een geschiedenis die zijn sporen nalaat. Er vindt weliswaar verzoening plaats, wanneer Jakobs zonen voor koren afreizen naar Egypte en daar Jozef als onderkoning ontmoeten. Wanneer familiehoofd Jakob echter overleden is, komt angst voor vergelding bij Jozefs broers weer om de hoek kijken. Zal Jozef het kwaad dat zij hem hebben aangedaan alsnog vergelden?  In die context stelt Jozef hen echter gerust. Hij zegt in Genesis 50: 20: ‘Jullie weliswaar, jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven houden.’ 

Rode draad
Terugkijkend constateert Jozef dat God in alles de hand heeft gehad. Hij ziet een rode draad lopen door alle afzonderlijke gebeurtenissen heen. Die rode draad is de draad van Gods trouw. Het kwade dat er op zijn levensweg in ruime mate kwam, is door God ten goede gedacht. 
Dat leert ons hoe te kijken naar afzonderlijke gebeurtenissen. De coronacrisis is één zo’n gebeurtenis en heeft op een ieder weer een eigen, persoonlijke invloed. Pas achteraf zullen we in staat zijn om te zien wat God aan het doen was in ons leven. Daar is doorgaans afstand in de tijd voor nodig. Het opmaken van de balans kan pas als deze periode daadwerkelijk is afgesloten. Dan wordt zichtbaar hoe alles past in Gods plan en hoe Hij het ten goede heeft gedacht. 
Dat het inderdaad ten goede door Hem gedacht wordt, is alleen te zeggen in geloof. Geloof dat echter mag rusten in de woorden van Jezus zelf: ‘Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zichzelf zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’ (Matth. 6: 34).  

Paulus
Als derde getuige is de apostel Paulus op te voeren. In 2 Korinthe 12 krijgen we een inkijkje in zijn persoonlijke worsteling met moeilijke omstandigheden. Hij heeft last van iets dat hij een ‘doorn in het vlees’ noemt en een ‘engel van de satan’. Kennelijk is het een ongemak dat hem heel direct raakt en waar hij telkens opnieuw last van heeft. Het is niet duidelijk waar het precies om gegaan is. Maar uit de woorden die Paulus gebruikt, blijkt wel dat het niet zomaar iets is geweest. Het gaat om een pijnlijk iets, dat hij associeert met niet minder dan het werk van de duivel. 
In geloof heeft hij God gesmeekt of die hem ervan wil verlossen. Dat heeft de Heere echter niet gedaan. In plaats daarvan heeft Hij tegen Paulus gezegd: ‘Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.’ Paulus leert dus een geestelijke les. De Heere gaat met hem deze weg, opdat juist in zijn moeilijke omstandigheden Gods kracht zich zal openbaren.  

Het positieve
Het is voor ons mensen doorgaans lastig om om te gaan met moeilijke omstandigheden. Veranderingen worden door ons ervaren als verlies en we verlangen terug naar het oude ‘normaal’. Dat is de situatie waarbij je je senang voelt en waar je (ongemerkt) aan gehecht bent geraakt. 
Een (al of niet tijdelijke) verandering kan echter door de Heere gebruikt worden om juist Zijn kracht te openbaren. Het schept ruimte om opnieuw vertrouwen te vinden en werpt je terug op het ‘Geloof alleen!’ van het Evangelie. Daarmee kan het ook louterend zijn. Je wordt teruggebracht bij de kern, nu noodgedwongen al het andere ons ontvalt. Onze eigen sterkte en kracht zit Hem niet meer in de weg.  

Lessen voor vandaag
De hierboven genoemde, Bijbelse getuigen leren ons leven met schaarste en onzekerheden. Jakob laat ons zien dat het om de kwaliteit gaat van wat je bezit: niet ons aardse bezit, maar de belofte van God. Hij spoort ons aan om daar op te letten. Jozef leert ons dat we ons niet blind moeten staren op de korte termijn, maar achteraf Gods weg zullen ontdekken. Hij leert ons geduldig te zijn en te vertrouwen dat je als klein mens te midden van alles wat gebeurt niet aan Gods aandacht ontsnapt. Paulus leert ons de positieve kant zien van moeiten, ziekte en onzekerheden. Er komt dan juist ruimte dat Gods kracht zich openbaart in onze zwakheid. 
In dit licht komt het erop aan de coronacrisis niet te zien als een crisis, die ons vooral veel ontneemt, ook als kerken. Eerder moeten we vragen: wat is God ons aan het leren? Met Jozef is te bedenken dat het antwoord op die vraag tijd nodig heeft. Een te snel antwoord kan tot verkeerde conclusies leiden. Met Jakob is te bedenken dat het allerbelangrijkste ons niet ontnomen is: de beloften van de drie-enige God. De zondagse verkondiging gaat immers door. 
Met Paulus mogen we ernaar uitzien dat God juist nu Zijn kracht kan laten zien, nu het kerkelijke leven tot op het bot is uitgekleed. De coronacrisis maakt ons zwak. Maar: ‘Wanneer ik zwak ben, dán ben ik machtig’ (2 Kor. 12: 10). 

Het voert te ver om de coronacrisis als een zegen te beschouwen. Daarvoor is het leed dat 
zich voor je oog voltrekt te groot en te ingrijpend. Toch kan het wel tot geestelijke zegen worden. Wanneer we tenminste de lessen van Bijbelse getuigen als Jakob, Jozef en Paulus leren