jaargang 130, nr. 25, 10 december 2021

Zo’n kleine tien jaar geleden verscheen de interviewbundel Oefenplaatsen: tegendraadse theologen over kerk en theologie. Daarin werden negen Britse en Amerikaanse theologen gepresenteerd als gesprekspartners voor Nederlandse christenen. Waarom kozen wij voor deze theologen? En wat maakte dat de bundel zo breed aansloeg? Een korte terug- en vooruitblik.

Gesprekspartners
Een krimpende kerk in een seculariserende samenleving. Die analyse lag tien jaar geleden aan de basis van de interviewbundel en geldt vandaag de dag in verhoogde mate. Waar vinden we in zo’n context bronnen en gesprekspartners die onze verbeelding kunnen prikkelen en wegen kunnen wijzen?
Want dat daar behoefte aan was, was wel duidelijk. Het theologische gesprek leek vastgelopen te zijn, met enerzijds hervormde theologen die hamerden op het belang van de volkskerk en anderzijds neocalvinisten en bevindelijken die hun hoop vestigden op verzuilde christelijke instituties. Ondertussen haalde de realiteit hen aan alle kanten in: de volkskerk glipte met de ontkerkelijking tussen de vingers door, terwijl tal van verzuilde instituties van kleur verschoten. Waar dat laatste niet gebeurde, werd in het isolement de kracht gezocht, terwijl de maatschappelijke druk op verzuilde structuren alleen maar toenam. Gezien de regelmatig terugkerende debatten over artikel 23 is dat allerminst verleden tijd.
Tegen die achtergrond kwam Oefenplaatsen met negen Angelsaksische theologen. Dat was een divers samengesteld geheel, met de methodist Richard B. Hays, de lutheraan Bernd Wannenwetsch, de gereformeerde Tim Keller en een heel aantal anglicanen: Tom Wright, Samuel Wells, Oliver O’Donovan, Stanley Hauerwas, Brain Brock en Miroslav Volf. Dat velen van hen anglicaan waren of werden, was niet helemaal toevallig. In de anglicaanse theologische traditie bleken interessante aanknopingspunten te liggen voor het opnieuw doordenken van de plek van kerk en christenen in de samenleving.
De negen theologen waren allesbehalve koekoek één zang, tussen hen was veel debat. Toch kwamen uit de gesprekken ook duidelijke overeenkomsten naar voren, juist op die punten waar het Nederlandse gesprek was vastgelopen: de plaats van de kerk en de visie op de samenleving. Dat maakte het de moeite waard om hen te introduceren, niet als de grote oplossing of het einde van alle tegenspraak, maar als gesprekspartners die we alleen tot onze schade links kunnen laten liggen.
De brede ontvangst van de bundel dwars over grenslijnen in het Nederlandse protestantisme heen, liet zien dat dit gesprek ook daadwerkelijk werd aangegaan. Het deed zelfs meer dan waar we op hoopten: het bood een nieuwe gedeelde ruimte, waar christenen met heel verschillende achtergronden elkaar herkenden. Het leidde tot nieuwe boeken, scripties van theologiestudenten en dook op in beleidsnota’s van plaatselijke gemeenten. Het inspireerde en gaf nieuwe visie en nieuwe hoop.

De kerk centraal
Waarin ligt de aantrekkingskracht van de doorwrochte theologie zoals die bij deze grotendeels anglicaanse theologen te vinden is? Dat is een theologie die op tal van punten overlap heeft met andere tradities, zoals de katholieke en oosters-orthodoxe, maar ook de gereformeerde, lutherse en anabaptistische. Juist de plek van anglicaanse theologie als een midden tussen veel van die andere tradities, maakt het tot zo’n vruchtbare ruimte voor theologische herbronning en vernieuwing. Hier wil ik vier elementen naar voren halen die met het oog op de Nederlandse situatie van betekenis zijn.
Dat is ten eerste de focus op de kerk. Dat klinkt misschien als een open deur, maar is dat niet. Door bij de kerk in te zetten als geloofsgemeenschap rond Woord en sacrament, wordt namelijk een beslissende keuze gemaakt. Het vertrekpunt is niet, zoals in het piëtisme en de liberale theologie, het zielenheil en de persoonlijke ontplooiing van het individu. Het is evenmin de samenleving, die in allerlei wereldwijdende Koninkrijkstheologieën het startpunt is. Dat betekent niet dat over het individu en de samenleving niet heel veel te zeggen is, maar dat gebeurt wel vanuit de fundamentele notie van de kerk. Dat is de ruimte waar God mensen verbindt tot een levende gemeenschap, waar de Schriften worden geopend, gelezen en geleefd; het is een oefenplaats voor de navolging van Christus.
Dit betekent dat er vanuit dit perspectief kritisch wordt gekeken naar het neocalvinistische idee om een stelsel van christelijke organisaties naast de kerk op te tuigen. Wezenlijke aspecten van de roeping van de kerk, zoals het geloofsonderricht en de zorg voor elkaar, kunnen niet uitbesteed worden aan christelijke organisaties, gedefinieerd op basis van een juridische grondslagformule. De Bijbel bevat geen beloften voor organisaties, wel voor de kerk. Die kerk is bovendien geen ongrijpbaar, onzichtbaar mystiek lichaam, maar is concreet en tastbaar: het is de kerk op de hoek, met die mensen die je lastig vindt en met wie je van mening verschilt. Dat is het lichaam van Christus waarin je geplaatst bent.
Dit houdt in dat de kerk een hoge roeping heeft. Zij is de plek waar christenen toegerust worden voor hun persoonlijk leven en voor hun roeping in de samenleving. Die moet robuust zijn in die zin dat zij inhoudelijke diepgang biedt, betekenisvolle praktijken en de context voor een leven lang leerling zijn – van kind tot oudere. Dat geeft houvast als de christelijke school van kleur verschiet of onverhoopt de overheid aan artikel 23 gaat sleutelen. Kerken die op het negentiende-eeuwse verenigingsmodel blijven bouwen, moeten zich niet alleen afvragen of zij rechtdoen aan het Bijbelse onderwijs over de kerk, maar ook of zij bestand zullen zijn tegen maatschappelijke veranderingen.

Schrift en sacrament
Het tweede element is de concentratie op Schrift en sacrament. Daar wordt niets nieuws mee gezegd, alle christelijke belijdenissen verankeren dit in het hart van de kerkelijke praktijk. Maar vervolgens is het wel de vraag hoe we daarmee omgaan. De meeste theologen uit de bundel vinden elkaar in een narratieve benadering van Schrift en sacrament. Dat betekent dat de Bijbel niet in de eerste plaats een bron is voor allerlei leerstellige overtuigingen, of een historisch document dat we kritisch uit kunnen pluizen over het verleden; het biedt primair het grote verhaal over hoe God werkt in deze wereld van schepping tot herschepping. Dat Bijbelse verhaal is daarmee steeds opnieuw actueel en nodigt door het lezen in het midden van de gemeente en door de verkondiging ons uit om daarmee ons eigen levensverhaal te verbinden. De grote woorden van de Bijbel – schepping, zonde, verlossing, herschepping – worden zo ook de grote woorden van ons leven.
Het sacrament is daaraan als praktijk onlosmakelijk verbonden. Wat in de Schrift ons wordt aangezegd, wordt zichtbaar in het sacrament: de verbinding met Jezus en de verbinding met elkaar. Een dienst zonder eucharistie of Heilig Avondmaal is daarom ondenkbaar en dat zorgt er ook voor dat de centrale boodschap van verzoening altijd centraal staat en werkelijkheid wordt. Daarnaast heeft de kerk ook andere rituele praktijken die ons helpen in het oefenen van een leven in navolging, denk aan het gebruik om op Witte Donderdag de voeten van de naasten te wassen of het knielen bij gebeden.

Karaktervorming
Want, en dat is het derde element, wat in de kerk gebeurt, is niets minder dan de vorming van onze karakters. Door de Bijbel en de sacramenten worden wij ingewijd in de normen en waarden van Gods wereld, wij leren over liefde tot God, naastenliefde, zelfverloochening, genade en barmhartigheid. Het zijn noties die soms haaks staan op wat we in de wereld om ons heen horen: individuele zelfontplooiing en maximaal geluk. In de kerk leren we een andere taal, hebben we weet van genade en oefenen we met elkaar in het leven in navolging van Christus.
Christen zijn betekent daarmee een leven dat gestempeld wordt door christelijke deugden, zoals Paulus die in de Korintiërsbrief benoemt: geloof, hoop en liefde. Door deze deugden centraal te plaatsen, grijpen theologen als Wells, Hauerwas en Wright terug op de vroegchristelijke traditie. Christelijk geloof wordt daarmee meer dan het juiste credo opzeggen, het wordt zichtbaar in gelouterde karakters, mensen die hun levenswandel versieren met goede werken. Daarbij spelen voorbeeldfiguren een belangrijke rol: ouders, kerkleden, heiligen uit heden en verleden. Dat wijst direct weer op het belang van de kerkelijke gemeenschap: niemand kan alleen geloven, alleen samen met alle heiligen doen we dat.
Daarin ligt ook de herwaardering van de christelijke traditie besloten: die is niet achterhaald, maar van vitaal belang. Die traditie reikt ons voorbeeldlezingen aan voor het lezen van de Bijbel, voor hoe we kerk en christen kunnen zijn. Richard Hays benadrukt daarom dat predikers er goed aan doen bij hun preekvoorbereiding de preken van de kerkvaders en reformatoren te lezen. Zij helpen ons in het verstaan van de Schriften met het oog op onze samenleving.

Publieke theologie
Hoewel het kan lijken dat door die concentratie op de kerk en op de vorming van christenen daarbinnen de samenleving buiten beeld raakt, niets is minder het geval. Hieraan ontspruit namelijk een heel eigen vorm van publieke theologie, één waarbij de kerk bijdraagt aan het publieke debat vanuit haar eigen bronnen en traditie. De insteek daarvan is niet dat de samenleving kerk wordt, een tendens die in de klassieke anglicaanse theologie diep was verworteld. Evenmin moet de samenleving de kerk binnengehaald worden. In beide gevallen verdwijnt het onderscheid tussen kerk en samenleving, met verlies van het eigen geluid van de kerk.
De kerk kan de samenleving het beste dienen door simpelweg kerk te zijn, een gemeenschap rond het kruis. Dat betekent aanwezig zijn in the public square, zoals de vroegere aartsbisschop Rowan Williams doet, en daarbij het licht van de christelijke traditie te laten schijnen op grote maatschappelijke kwesties. Maar dat betekent evenzeer de boodschap van het Evangelie uitleven. Waar de Bijbel spreekt over gastvrijheid voor vreemdelingen, moeten christenen niet allereerst de samenleving oproepen om dat te doen, maar zelf het goede voorbeeld geven. Waar de Bijbel ons leert zorg te dragen voor de armen, kijken we niet naar de overheid, maar geven we dat zelf handen en voeten.

Terugroepen
Het eigene van deze theologische traditie is dat het daadwerkelijk een herbronning is: het roept ons terug naar de kerk, de Schrift en de sacramenten. Het ontsluit de toegang tot de eeuwenlange christelijke traditie en weet dat te verbinden met de grote vragen van onze eigen tijd. In de liturgie komt dat allemaal samen. Toen wij als gezin een aantal maanden in Engeland verbleven, leefden we mee met de lokale parochie en zagen veel hiervan terug in de praktijk. Eerbied voor de Schrift en een zorgvuldige prediking die de Bijbelse boodschap verbond met het leven van de bezoekers. Een liturgie gerijpt door de eeuwen en die tegelijkertijd ruimte had voor nieuwe kerkmuziek en nieuwe praktijken. Praktijken die dienstbaar waren aan de vorming van christelijke karakters, die het Bijbelse verhaal vlees en bloed gaven en waarbij de kerk de bredere lokale gemeenschap diende door zichzelf te zijn.
Uiteraard zijn er ook kritische kanttekeningen te plaatsen bij elementen van deze ecclesial turn. Het risico bestaat dat bij alle nadruk op deugdethiek het idee postvat dat het christelijk leven maakbaar is, als we maar goed ons best doen. De werkelijkheid is uiteraard anders, de navolging is er een van vallen en opstaan. Of het idee kan zomaar postvatten dat de Bijbel vooral een pedagogisch handboek is voor het ‘goede leven’. Daarom is het goed om naast al deze Angelsaksische theologen ook Luther te blijven lezen, die ons steeds opnieuw eraan herinnert dat alles genade is. Juist in de liturgie bidden en zingen we tegen onszelf in en boven onszelf uit en moeten we het steeds opnieuw uit genade ontvangen.
Terugkijkend op de afgelopen tien jaar kan vastgesteld worden dat de interactie tussen de Nederlandse en Angelsaksische theologische tradities zienderogen is toegenomen. Veel anglicaanse theologen zijn nu vaste gesprekspartners en een bron van inspiratie geworden voor Nederlandse christenen. Daarin wordt iets zichtbaar van het katholieke besef dat we samen met alle heiligen geloven en zo elkaar ook dienen met het oog op de context waarin elk geplaatst is.