jaargang 129, 14 augustus 2020 nr. 17

Wat beweegt de Engelse puriteinen in de zeventiende eeuw te emigreren naar de nieuwe wereld? Uiteraard spelen hierbij meerdere motieven een rol. Voor de Pilgrim Fathers en de grote emigratiegolven na hen is in elk geval het religieuze motief het allerbelangrijkste. In de nieuwe wereld hopen zij God te kunnen dienen in vrijheid en op een manier die zoveel mogelijk overeenstemt met Zijn Woord. Het is bovendien hun bedoeling in de nieuwe kolonie een samenleving te stichten die een stad op een berg is, waar heel de ‘oude wereld’ met enige afgunst en bewondering naar kijkt. Het gaat namelijk om een stad die zoveel mogelijk lijkt op het Nieuwe Jeruzalem …!

Dat betekent wel dat de emigranten op een bepaalde manier naar de ‘oude wereld’ – in dit geval vooral het ‘oude Engeland’ – kijken. Onder velen van hen leeft het besef dat het oordeel van God over het Verenigd Koninkrijk gekomen is. Men wijst dan op de zware vervolgingen van de ware vromen en van godvrezende predikanten. Bovendien herinnert men aan de toenemende wereldgelijkvormigheid en goddeloosheid in het land en geeft men uiting aan de vrees dat Engeland weer in de greep zal komen van ‘de rooms-katholieke antichrist’.

De afscheidspreek van Hooker
Al deze motieven komen aan de orde in een afscheidspreek die Thomas Hooker (1586-1647) houdt. In 1629 is hij als voorganger geschorst omdat hij weigert zich aan de bepalingen van de Anglicaanse Kerk en van de overheid te onderwerpen. Hij zal zich voor zijn puriteinse overtuiging moeten verantwoorden voor ‘Gerechtshof voor Kerkelijke Zaken’ (High Commission). Omdat hij weet dat hij veroordeeld zal worden tot een lange gevangenisstraf, besluit hij te vluchten. Kennelijk hoopt hij nog dat de situatie in Engeland zal verbeteren. Daarom laat hij zijn vrouw en kinderen in Engeland achter onder de hoede van een adellijke beschermheer en neemt zich voor – zoals zoveel anderen vóór hem – naar Nederland te vertrekken. Maar na een kort en teleurstellend verblijf in de lage landen vertrekt hij alsnog met vrouw en kinderen naar Nieuw-Engeland. Daar speelt hij een belangrijke rol in het kerkelijke en maatschappelijke leven en wordt een van de stichters van de staat Connecticut. Vóór zijn vertrek naar Nederland houdt hij in het geheim een indringende ‘afscheidspreek’, waarschijnlijk voor een deel van zijn gemeente en enkele vrienden. De tekst is Jeremia 14: 9: ‘Wij zijn naar Uw Naam genoemd; verlaat ons niet!’ In deze preek wil Hooker zijn hoorders allereerst wakker schudden uit de verkeerde veronderstelling dat God het Verenigd Koninkrijk en de Kerk van Engeland nooit zal verlaten. Hij wijst erop dat God Zich op bepaalde momenten ook van het oudtestamentische Israël afkeerde. Zou God dan Engeland niet kunnen verlaten? Daarom is een van de eerste stellingen in deze preek: ‘God kan rechtvaardig een volk verlaten en een land van Zijn Kerk beroven’. Hij past dit onmiddellijk toe op zijn hoorders en in hen op heel Engeland:
Leer daarom, luister en vrees God! Want God kan beslist God zijn zonder de voorspoed van Engeland! Zeg niet: ‘Er zijn hier veel goede christenen’. Denk je dat God iets aan jullie verplicht is vanwege jullie godsdienst? Beslist niet! Want Hij zal eerder uit deze stenen kinderen voor Abraham verwekken (vgl. Matth. 3: 9), dan dat Hij mensen zal beschermen die Zijn Naam belijden en toch weigeren zich te bekeren. Hij zal eerder naar de Turken gaan en tot hen zeggen: ‘Jullie zijn Mijn volk en Ik zal jullie God zijn’.

De profetie van de ondergang
Op een gegeven moment in de preek laat Hooker weten dat de dreiging die in deze woorden doorklinkt, ook werkelijkheid zal worden. Hij zegt namelijk dat het niet slechts mogelijk is dat God het Verenigd Koninkrijk zal verlaten, maar dat Hij dat ook daadwerkelijk zal doen! Hierbij verwijst hij naar een persoonlijke, profetische openbaring die hij de avond daarvoor heeft ontvangen:
Wat, als ik jullie zou vertellen wat God mij gisteravond gezegd heeft, dat Hij Engeland zou vernietigen en verwoesten? Wat zeggen jullie daarop, mijn geliefden? Dit is mijn boodschap die ik ontvangen heb uit de overdenking van Gods Woord en die Hij mij beval aan jullie te brengen. En Hij verwacht een antwoord van jullie. Ik breng mijn boodschap zoals God mij gebood. Wat zegt u daarop, Engeland? Ik moet een antwoord terugbrengen aan mijn Meester Die mij gezonden heeft. Ja, nog deze nacht moet ik een antwoord terugbrengen. Want de Heere heeft een bepaalde tijd beschikt, zeggende: ‘Morgen zal de Heere dit doen – namelijk de plaag van de veepest in Egypte – in het land’ (Ex. 9 :5).

In de hierop volgende passage dringt Hooker er bij zijn hoorders voortdurend op aan om een antwoord te geven op de dreigende oordelen van God. In schrille kleuren schildert hij hoe de kerk en de samenleving in het Verenigd Koninkrijk aan de verwoesting ten prooi zullen vallen, hoe het Pausdom het land in zijn greep zal krijgen en de zielen van hun kinderen voor eeuwig te gronde zal richten. In het licht van dat alles laat de vraag zich natuurlijk niet onderdrukken: ‘Wat is de oorzaak dat God Engeland verlaat en aan de ondergang overgeeft?’ Volgens Hooker ligt dat vooral aan drie dingen: het volk leeft in valse rust door de vrede en de welvaart, men bekeert zich niet onder de zuivere prediking van het Evangelie en de trouwe dienaren van het Woord worden weggenomen. Zij worden namelijk gedwongen om samen met vele puriteinse vromen naar andere landen te vertrekken, met name naar Nieuw-Engeland:
Maar dit is onze troost – of liever onze ellende! – dat wij vrede en voorspoed hebben. We hebben ons gemak en ons gerief. Onze buiken zijn vol, onze geldkisten zijn vol en we zijn keurig gekleed enz. (…) En als we ons een klein beetje verootmoedigen, denken we dat het wel goed is. En dus doen we net alsof we vrijaf nemen van God en van Zijn Evangelie en maken van het Evangelie ons pakpaard om onze spullen op te laden. Welnu, let hierop, want God gaat weg en als Hij weggaat, gaat onze eer ook weg. En dan kunnen we wel zeggen met de vrouw van Pinehas: ‘De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël’ (1 Sam. 4: 22) En dus is de eer weggegaan uit Engeland, want Engeland heeft haar beste dagen gehad en het loon op de zonde komt haastig. Want God pakt Zijn Evangelie in omdat niemand Zijn waren wil kopen (omdat men het met Zijn prijs niet eens is). God begint Zijn Noachs te verschepen die profeteerden en voorspelden dat de ondergang nabij was. En God bepaalt dat Nieuw-Engeland een toevluchtsoord zal zijn voor Zijn Noachs en Zijn Lots, een rots en een schuilplaats waar Zijn rechtvaardigen heen kunnen snellen. En zij die gekweld werden wanneer zij het goddeloze leven van de mensen in dit verdorven land zagen, zullen daar veilig zijn.

Verlaat ons niet!
De mogelijk wat gedurfde beeldspraak van God als een koopman die de waren van Zijn Evangelie inpakt omdat men die niet eens voor niets (‘zonder prijs’) wil hebben, klinkt vooral schrijnend! Dit motief is voor Hooker namelijk aanleiding om zijn hoorders in grote bewogenheid aan te sporen de Heere te smeken of Hij dit land niet wil verlaten. Hierbij komt de tekst van de preek voortdurend terug: ‘Wij zijn naar Uw Naam genoemd; verlaat ons niet!’ Een sprekend fragment:
O, daarom mijn broeders, grijp jullie vast aan God, en laat Hem niet uit jullie gebied weggaan. – Want Hij gaat echt weg! – Kijk goed om je heen, zeg ik, en houd Hem tegen aan de grenzen van de stad en laat jullie God niet vertrekken! O, Engeland, beleger Hem door Hem ootmoedig en van harte te omhelzen. Want hoewel Hij weggaat, Hij ís nog niet weggegaan! Laat Hem niet ver weggaan; laat Hem niet zeggen: ‘Vaarwel, het ga u goed’, of liever: ‘Het ga u slecht, Engeland!’

De lekenpreek van Winthrop
Maar wat zoeken deze emigranten precies in Nieuw-Engeland? Welke idealen koesteren zij? Om op deze vragen een antwoord te vinden, wenden we ons tot een lekenpreek die John Winthrop (1588-1649) houdt bij zijn vertrek uit Engeland in 1630. Hij is benoemd tot gouverneur van de nieuwe kolonie aan de Massachusetts Baai, waarheen ook Hooker enkele jaren later vertrekt. Winthrop is een man van innige vroomheid, een fijnzinnig diplomaat en een bekwaam bestuurder. Het is in belangrijke mate aan hem te danken dat het ‘puriteinse experiment in de nieuwe wereld’ een succes wordt. Het thema van zijn ‘preek’ voor de emigranten die met hem aan boord van de Arabella meereizen naar Nieuw-Engeland is: ‘Een toonbeeld van christelijke liefde’ (A Model of Christian Charity). Het is in feite niet meer en niet minder dan een programma voor een nieuwe samenleving in de kolonie. Wat daarbij onmiddellijk opvalt, is dat de grenzen tussen kerk en samenleving verbleken. Winthrop ontwikkelt hier een theocratisch ideaal dat heel het leven omvat. Zo zegt hij: ‘Wij zijn een gezelschap dat belijdt dat wij lidmaten van Christus zijn’. Hoewel we afkomstig zijn uit verschillende streken en tot verschillende standen behoren, ‘moeten wij het ervoor houden dat wij innig aan elkaar verbonden zijn door deze band van liefde. Ons eerste doel is een nieuw thuis te zoeken onder een passende vorm van zowel burgerlijk als kerkelijk bestuur’. Daarom moet ‘de zorg voor het algemeen belang de voorrang hebben boven alle privébelangen. (…) Hierbij is het de bedoeling om onze levensomstandigheden te verbeteren om de Heere beter te kunnen dienen (…) zodat wijzelf en ons nageslacht beter bewaard blijven voor de algemene verdorvenheid van deze boze wereld’.

De Bergrede en het verbond
Vooral uit het slot van zijn ‘preek’ wordt duidelijk dat Winthrop zich laat leiden door principes die aan de Bergrede zijn ontleend en die hij vervolgens invult vanuit de oudtestamentische gedachte van het verbond. Van de emigranten wordt net als van het oude Israël gevraagd om van harte in te stemmen met het verbond van God en daarbij te blijven (vgl. Deut. 30: 11vv.). De laatste zinnen van de lekenpreek van Winthrop luiden namelijk:
Nu, de enige manier om schipbreuk te voorkomen en voor ons nageslacht te zorgen is dat we de raad van Micha opvolgen, namelijk ‘recht te doen, barmhartigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met onze God’ (vgl. Micha 6: 8). Om dat te bereiken moeten we ons tot deze taak verenigen als één man. (…) Zo zullen we de eenheid van de Geest bewaren door de band van de vrede (vgl. Ef. 4: 3). De Heere zal onze God zijn en zal Zich erin verheugen om onder ons te wonen als Zijn volk. Hij zal Zijn zegen over ons gebieden in al onze wegen, zodat we veel meer zullen zien van Zijn wijsheid, macht, goedheid en waarheid dan waar we vroeger mee bekend waren. We zullen ervaren dat de God van Israël onder ons is, wanneer tien van ons in staat zullen zijn duizend van onze vijanden te weerstaan en wanneer Hij ons tot lof en heerlijkheid zal maken. Het gevolg zal zijn dat de mensen van toekomstige kolonies zullen zeggen: ‘De Heere make deze als die van NIEUW-ENGELAND’. Want we moeten bedenken dat wij ‘als een stad op een berg zullen zijn’ (vgl. Matth. 5: 14) . De ogen van alle mensen zijn op ons gericht. Wanneer we bedrieglijk met onze God zullen handelen in dit werk dat we op ons genomen hebben en Hem zo reden geven om Zijn hulp van dit moment in te trekken, zullen we een aanfluiting en een spotrede worden voor de hele wereld. (…) Daarom, laten wij het leven kiezen, opdat wij en onze kinderen zouden leven door Zijn stem te gehoorzamen en door Hem aan te hangen, want Hij is ons leven en onze voorspoed’ (vgl. Deut. 30: 19,20).

De werkelijkheid en de erfenis
Hebben de immigranten hun idealen verwerkelijkt en hun stad op de berg gevonden? Het is voor ons erg gemakkelijk ‘vanuit de hoogte’ van de eenentwintigste eeuw allerlei mislukkingen aan te wijzen: de onderlinge strijd en na-ijver, de onvrede met de al te strikte wetten en de wrede oorlogen met de indianen (waarbij de wreedheden echt niet alleen van de kant van de inheemse bevolking komen!). Maar dat laat onverlet dat op verschillende plaatsen in Nieuw-Engeland het geestelijk leven gebloeid heeft en minstens een eeuw lang nog heeft doorgewerkt in verschillende geestelijke opwekkingen. Vanuit de kolonie is John Eliot (1604-1690) – een leerling van Hooker – begonnen met zendingswerk onder de indianen. En – hoezeer het leven in de huidige Verenigde Staten van Amerika ook geseculariseerd is – de American Way of Life is niet te begrijpen zonder rekening te houden met ‘het visioen’ van deze vroege immigranten die op zoek waren naar de stad op de berg!

Prof. dr. A. Baars is emeritus hoogleraar van de TUA