jaargang 131, nr.12, 10 juni 2022

Het blijkt nog steeds een discussiepunt te zijn: de Afscheiding van 1834 was een vergissing. Wie dat meent of misschien veronderstelt moet zeker verder lezen. Als biograaf van Hendrik de Cock verzet ik me tegen de hier vermelde diskwalificatie van ‘1834’. Ik zeg het maar van tevoren.

Andere weg voor De Cock?
Uit veel van wat ik verneem over die zogenaamde vergissing van De Cock kan men feitelijk maar één ding opmaken: men leeft in onvrede over de huidige verdeeldheid in de kerken die uit de Afscheiding zijn voortgekomen. Volgens Andries Knevel (‘Allemaal Gereformeerden’) waren er in 2009 zeker 10 gereformeerde kerken of gemeenschappen. Het zijn er naderhand nog meer geworden – het proces van afsplitsingen lijkt niet tot stilstand te kunnen komen. Maar al is het onlustgevoel zeker te begrijpen, het is een onhistorische gedachte om Hendrik de Cock hieraan te koppelen.
En toch… ik proef er ook iets in dat De Cock fouten gemaakt zou hebben in de procesgang rond zijn schorsing en afzetting. Men zou kunnen redeneren: Had hij zich er niet bij kunnen neerleggen dat er voor hem geen plaats was in de Nederlandse Hervormde Kerk? Wellicht had zijn reactie op de tuchtmaatregelen voorkomen kunnen worden; dan was er op 13 en 14 oktober 1834 in Ulrum geen Afscheiding ontstaan. Dan waren we in de westerse wereld verschoond gebleven van de versplintering van het protestantisme. Maar De Cocks voorbeeld kreeg navolging – en hoe? Het aantal kerken dat de naam ‘gereformeerd’ draagt is te groot geworden.
Deze vragen en opmerkingen komen niet uit de lucht vallen. Er is in de 20e eeuw een denkwijze gegroeid die meer nadruk legt op wat de kerken verenigt, dan wat hen verdeeld houdt. Het oecumenisch streven speelt een belangrijke rol in de publieke opinie over de kerk. Gelovigen zouden niet zo gauw de principiële vinger moeten leggen bij zaken die niet de kern van het Evangelie raken. Gelovigen zouden veel meer geduld moeten oefenen, om toch vooral te voorkomen dat de kerk (weer) scheurt.
Nu eerst terug naar 1834.

Liberale geloofsopvattingen
We moeten de zaken rond De Cock bezien in een grotere context, namelijk die van de vraag welke geloofsinzichten die in de eerste decennia van de 19e eeuw overheersend zijn geweest in de Hervormde Kerk. Het beeld dat daaruit oprijst is bepalend geweest voor de kerkelijke activiteiten die De Cock in beweging zette. Daarbij moeten wij ons goed inleven in de kerkelijke spanningen van 1834. Wat speelde er? En welk perspectief was er?

De Cock was intussen predikant in zijn derde gemeente: de Hervormde Kerk van Ulrum. Hij had zijn theologische vorming ontvangen aan de universiteit van Groningen. Het onderricht van zijn hoogleraren Ypey, Tinga en vooral Muntinghe stond helemaal in het teken van Verlichting en Rationalisme. Daarin was wel plaats voor een God, al stond Hij ver boven het aardse. Zo werd het denken en (s)preken over Hem als ‘supranaturalisme’ aangeduid. God was ‘een lieve Heer’ die het welzijn van de mensen op het oog had. Door het goede voorbeeld en de daarbij passende opvoeding zou het mensdom op een steeds hoger plan komen te staan. Zonde en genade waren begrippen die naar de achtergrond werden geschoven. Het lijden en sterven van Jezus was een symbolisch gebaar dat geen realiteit kon zijn. Verzoening met God door voldoening? Die leer werd als bloedtheologie niet meer geaccepteerd. Zo vervlakte de centrale (!) boodschap van de kerk tot een verhaal dat mensen wel aanstond, maar waar de Bijbelse diepgang uit verdwenen was. Het menselijk verstand en gevoel maakten in de kerk de dienst uit. Overal in Groningerland en tevens in andere delen van ons land werd de liberale theologie gemeengoed.

De Cock wordt gereformeerd
In een dergelijke trant had De Cock als jonge dominee in Eppenhuizen en Noordlaren de kerk gediend. Hij was een meegaand pastor die geen moeilijkheden zocht met zijn kerkgangers. Die houding veranderde in Ulrum. In zijn gemeente kwam hij mensen tegen die hem de oude waarheid van de gereformeerde belijdenis voorhielden. Zij lieten hem de tekst van de Dordtse Leerregels lezen. Ook kreeg De Cock een korte editie van de Institutie van Calvijn in bruikleen. Hij kwam hierdoor – en mee door zijn biddende echtgenote Frouwe Venema – meer en meer op het gereformeerde spoor. Hij begon in te zien dat de Hervormde Kerk van zijn dagen ten onder zou gaan in een diepzee van menselijke zienswijzen die een principiële correctie betekenden op de gereformeerde theologie. Als hier geen ‘wederkeer’ naar de reformatorische leer zou komen was het met de kerk gedaan.
Maar een dergelijke visie hoorde thuis bij de ‘fijnen’. De vrijheid van een ‘liberale’ theologie was toch heerlijk; men wilde niet terug naar vervlogen tijden. Dat was een boodschap voor hen die nog durfden op te komen voor de binding aan de gereformeerde belijdenis. Zulke mensen stonden voortaan te boek als lieden die alles bij het oude wilden laten.  Ze hadden met de dichter en Bijbelgeleerde Isaac da Costa ernstige ‘bezwaren tegen de geest der eeuw’.

Gerichte actie
De Cock schreef in 1833 en 1834 veel brieven en brochures. Steeds waarschuwde hij met kracht voor de teloorgang van het gereformeerde karakter van de kerk. Zijn doelstelling was om de Hervormde kerk, haar dienaren en kerkleden, terug te brengen bij de grote rijkdom van de gereformeerde belijdenis.   Hij waarschuwde niet maar in het algemeen, maar ook sterk persoonlijk gericht, zeker tegen collega’s die hun ‘liberale’ idealen bleven uitdragen. Voor een goed overzicht van De Cocks publicaties verwijs ik graag naar de Verzamelde Geschriften, uitgegeven in 1984 en 1986 door de hoogleraren D. Deddens (Kampen) en W. van ’t Spijker (Apeldoorn). Daar blijkt dat het bij De Cock heel hoog zit dat velen de gereformeerde belijdenis niet meer kennen. Hij begint zijn publicitaire activiteit met het uitgeven van de ‘Besluiten van de Nationale Dordsche Synode’, en daarna van het ‘Kort Begrip der christelijke religie’. Daarop laat De Cock volgen zijn ‘Verdediging van de ware gereformeerde leer’ die bestreden werd door ‘twee zoogenaamde Gereformeerde Leeraars’, die door De Cock worden bestempeld als ‘twee wolven’.
De Cock bepaalde ook zijn ‘vriendenkring’ bij de belangrijkste vraag in het leven: ‘wat moeten wij doen om zalig te worden?’, zoals velen reageerden op de rede van Petrus op de grote Pinksterdag. Ook stuurde de Ulrumse predikant brieven over de laster waarmee gelovigen werden bejegend. Hij ondertekende zijn publicaties – heel bewust – met ‘Gereformeerd Leeraar te Ulrum’. De Cocks actieradius bleef niet beperkt tot het noorden van het land, overal in Nederland moest men weten van de neergang van de Hervormde Kerk.

Afscheiding?
Nadat De Cock in december 1833 was geschorst, kwam bij zijn ambtsdragers in Ulrum de gedachte op om een stevige daad te stellen. Zij waren immers verantwoordelijk voor de kerkdiensten die nu gehouden werden. Daarin gingen predikanten uit de classis voor die juist behoorden tot de groep van hen die De Cock niet op ‘zijn’ kansel wilde hebben. Maar nu stond hij machteloos, de classis regeerde. Hij wilde overigens wel beginnen met samenkomsten in de herberg van een gemeentelid of bij andere kerkleden met veel ruimte. En… hij wilde de kerkordelijke weg bewandelen om te bereiken dat hij bevrijd werd van de schorsing. Hij maakte daarvoor in 1834 zelfs een lange reis naar Den Haag om zowel koning Willem I als de dagelijkse leiding van de Algemene Synode te bezoeken. Zijn reis liep op niets uit. De schorsing zou gevolgd worden door afzetting. Steeds sterker werd de roep om zich los te maken van de Hervormde Kerk, maar De Cock zag die weg nog niet voor zich liggen.

Ja, Afscheiding!
Op dat moment – de tweede week van oktober 1834 – kreeg De Cock bezoek van een collega uit een Brabants dorpje: de jonge ds. Hendrik Peter Scholte (Doeveren e.o.). De Cock verkeerde in een volslagen uitzichtloze situatie. Na urenlang met Scholte over deze toestand te hebben gesproken krijgt De Cock van collega het heldere advies: ga over tot afscheiding van de Hervormde Kerk – en keer terug tot de belijdenis en kerkorde van de Gereformeerde Kerk. In die drie dagen dat ds. H.P. Scholte in Ulrum was, begon het bij De Cock op te klaren; hij zag het voor zich. In het vaste geloof dat Gods Geest hem leidde, besloot hij de weg te gaan die door Scholte was gewezen.
Daarover stelde De Cock een document op dat klip en klaar aangaf wat zijn motieven waren om zich af te scheiden van de Hervormde Kerk en zijn weg te vervolgen als ‘Gereformeerd Leeraar’ in een vrije kerk. Dat werd een tekst die we kennen als de Acte van Afscheiding of Wederkeering’.  Deze acte werd ‘s maandags voorgelegd aan de kerkenraad van Ulrum; deze stemde daarmee unaniem in. De volgende avond hield men een gemeentevergadering die uitliep op een massale ondertekening van de Acte van Afscheiding. Ulrum maakte zich los van de ‘valse’ Hervormde Kerk en ging – naar men verwachtte – in vrijheid zijn eigen nieuwe weg waarop het herstel van het gereformeerd karakter van de kerk aan het licht zou komen. Samen met ‘alle ware Gereformeerde ledematen’, aldus de Acte van Afscheiding.
De Cock keerde dus terug naar de bronnen van de Reformatie. Daarom hield hij de Heidelbergse Catechismus hoog en evenzo de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Binnen de kaders van deze 3 Formulieren van EENHEID (!) ontstond weer een kerk met een reddend woord voor heel Nederland, ja voor de hele wereld.

Kerkherstel – hoe?
Kan men de daad van de Afscheiding een vergissing noemen? Ik kan dat niet plaatsen. Ik bedenk dat men in 1834 en ook 100 jaar later God heeft gedankt voor de uitredding uit het diepe verval van de kerk door middel van de Afscheiding. En men dankte God ook toen in 1869 een eerste begin werd gemaakt met de hereniging van alle Afgescheidenen door de vorming van de Christelijke Gereformeerde Kerk – al gingen helaas niet alle Afgescheidenen mee op die weg.
Dat er na 1834/1869 zoveel scheurtjes en scheuren ontstonden in de gereformeerde geloofsgemeenschap heeft veel te maken met een subjectivistische houding in het geloof. En het heeft ook ontbroken aan christelijke verdraagzaamheid van broeders in hetzelfde geloof – zoals Galaten 5:22 ons voorhoudt.
De Cock heeft zich onverdraagzaam moeten (!) opstellen tegenover de Hervormde Kerk – en daarin was geen spoor te vinden van twijfel of vergissing. Zij die de noodzaak van die onverdraagzaamheid niet inzien, vergissen zich vandaag in de fundamentele betekenis van de gereformeerde confessie. Deze heeft als hoofddoel de geloofsband tussen alle gereformeerde belijders aan te halen en zo de eenheid van de kerk te dienen.

© Dr. Harm Veldman, Zuidhorn