jaargang 130, nr. 14, 9 juli 2021

Het zijn de bekende woorden uit Genesis 2, nadat God Adam geschapen heeft: ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij.’ Adam is nog single, en dat is niet goed. En daarom schept de HEERE tot Adams grote vreugde voor hem een vrouw. Paulus is ook single. Maar hij zegt over mede-singles in de kerk: ‘Het is goed voor hen, als zij blijven zoals ik.’ Hoe te leven: als Adam of als Paulus? 

‘Het is niet goed …’
Laten we bij het begin beginnen. Het volk Israël kent zijn oorsprong in zijn aartsvaders: Abraham, Izak en Jakob. Vanuit de geschiedenissen over hen leert het volk zichzelf verstaan. Toch begint het boek Genesis niet met de aartsvaders, maar met de zogeheten oergeschiedenis: de vertellingen in hoofdstuk 1 tot en met 11 over Gods schepping van hemel en aarde, en over de eerste generaties mensen en hun doen en laten. In deze hoofdstukken komen heel fundamentele vragen aan de orde. Vragen als: Wie is God? Wat is de mens? Waartoe zijn wij op aarde? God wil dat Israël zichzelf niet pas leert begrijpen vanuit Gods weg met de aartsvaders, maar eerder: vanuit de oorsprong van wereld en mensheid. Al stond Israël toen, en wij nu, in een bedreigde wereld, toch leert de HEERE ons dat Zijn wereld ‘zeer goed’ was – zo luidt immers de conclusie in Genesis 1: 31. Er ontstaat dan een scherp contrast als in Genesis 2 nogmaals van de schepping van de mens gesproken wordt, maar God dan zegt: ‘Het is niet goed …’ (vers 18). Namelijk, dat de eerste mens alleen is. Het zou goed zijn als hij ‘een hulp had, die bij hem past’. Adam komt als single op de wereld, maar in Gods ogen is dat niet goed. 
Al staat de oergeschiedenis vooraan in de Bijbel, toch leert zij ons gerijpte inzichten in het mens-zijn, alsof zij aan het einde van het Oude Testament staat, die lange weg die God en mens samen afleggen. De Joodse uitlegger Benno Jakob merkt bij deze woorden van het ‘niet goed’ op: ‘Deze zin is de voltooide uitdrukking van de gedachte, dat de mens tot contact is aangelegd, en alleen daarin zijn geluk zal vinden.’ En hij noemt dan Prediker 4: 9-10, waar deze wijsheid inderdaad ook geleerd wordt: ‘Twee zijn beter dan één. Want als zij vallen, helpt de één zijn metgezel overeind. Maar wee die ene die valt, terwijl er geen tweede is om hem overeind te helpen. Ook als er twee bij elkaar liggen, hebben zij warmte, maar hoe moet één alleen warm worden?

De liefde
Het is dus niet goed dat Adam single is. God laat dan alle diersoorten aan hem passeren, maar Adam ontdekt dat zij zijn mens-zijn niet compleet kunnen maken. Hoe moet dit verder? God wordt dan niet zelf de metgezel van Adam. Er blijft een onderscheid tussen Schepper en schepsel, zodat Gods aanwezigheid in de hof het alleen-zijn van Adam niet opheft. Maar als God uit Adams eigen gebeente een vrouw schept, roept Adam verrukt uit: ‘Zij is het nu! Been uit mijn beenderen, en vlees uit mijn vlees!’ (Naardense Bijbel). Zie hier: het wonder van de liefde. In het vers dat er op volgt, stelt God het huwelijk in (‘daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten, en zich aan zijn vrouw hechten’), maar dus niet voordat Adam zelf de heerlijke harmonie met zijn wederhelft ervaren en uitgeroepen heeft. Dit laat ons zien dat het huwelijk niet een willekeurige structuur is die God nu eenmaal aan onze werkelijkheid heeft opgelegd. Het is een structuur die diep overeenstemt met hoe God ons bedoeld heeft: aangelegd op contact, in het bijzonder op diepgaande verbondenheid met hem of haar met wie we ‘één vlees’ worden.
De HEERE stelt het huwelijk in, en Adam is niet meer alleen. In het verdere van het Oude Testament bevestigt de HEERE deze weg. Want zelfs van mensen waar totale toewijding aan God wordt gevraagd, geeft Hij hun toch een huwelijkspartner. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de instelling van het hogepriester- of nazireeërschap. God vroeg mensen als Aäron en Simson om alles op te geven om Hem te dienen, maar niet de mogelijkheid tot een huwelijk. Want: ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij.’ En dus blijft het huwelijk van hoge waarde, ook al wordt vanuit vele geschiedenissen na Adam duidelijk dat een huwelijk ook ellende teweeg kan brengen, want in mensenhanden is het lang niet altijd veilig.
Vanuit het Oude Testament is dit alles een aansporing om als single niet alleen te blijven maar, voor zover dat mogelijk is, uit te zien naar een huwelijkspartner. Dit is een confronterende conclusie in een themanummer over single-zijn. Wordt deze lijn in het Nieuwe Testament vastgehouden? 

‘Het is wel goed …’
De apostel Paulus is mogelijk zelf ook getrouwd geweest. Hij volgde immers onderwijs aan de voeten van rabbi Gamaliël, en in die kringen was het, geheel in lijn met het Oude Testament, ongebruikelijk om niet getrouwd te zijn. Des te opmerkelijker is dan Paulus’ prikkelende wens in 1 Korinthe 7 vers 7: ‘Ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ikzelf’ – namelijk: single! 
Terwijl in de oergeschiedenis zo hoog van het huwelijk wordt opgegeven als iets wat God in de schepping heeft gelegd, vindt er bij Paulus een duidelijke relativering van dat huwelijk plaats. Een belangrijke reden hiervoor is het weten dat wij leven in de eindtijd. Paulus zegt: ‘De gedaante van deze wereld gaat voorbij’ (1 Kor. 7: 31b). Bij die gedaante van de wereld horen vreugde en verdriet, kopen en bezitten, en ook: het huwelijk (vers 30). En bij de wederkomst van Christus zal blijken dat deze dingen op zich geen eeuwigheidswaarde hebben, precies zoals Jezus dat ook leerde, toen Hem gevraagd werd wie van de zeven broers bij de opstanding met die ene vrouw getrouwd zal zijn: ‘Wanneer zij uit de doden opgestaan zullen zijn, trouwen ze niet en worden niet ten huwelijk gegeven, maar zijn als de engelen’ (Mark. 12: 25). De instelling van het huwelijk uit de eerste schepping zal niet de nieuwe schepping ingedragen worden! Deze eindtijd-relativering is een grote stap ten opzichte van het Oude Testament. Omdat het huwelijk slechts voor deze wereld is ingesteld en Gods nieuwe wereld spoedig komt, is de waarde van het huwelijk betrekkelijk. Paulus: ‘Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd beperkt is. Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben, … en zij die van deze wereld gebruikmaken, alsof zij die niet gebruiken. Immers, de gedaante van deze wereld gaat voorbij’ (1 Kor. 7: 29-31).
Deze woorden van Jezus en Paulus willen niet voorbijgaan aan de eenzaamheid die er kan zijn wanneer iemand (ongewild) single is, maar willen de status relativeren die er soms aan het huwelijk gegeven wordt. Alsof de vraag van het wel of niet getrouwd zijn allesbepalend zou zijn voor het geslaagd zijn van je leven. Zo is het zeker niet. Het belangrijkste is het dienen van de Heere Jezus met een onverdeeld hart – dat heeft, in tegenstelling tot het huwelijk, eeuwigheidswaarde. En dat kan als gehuwde, maar dat kan als single zelfs nog beter, stelt Paulus.  

In Korinthe is sprake van een ‘tegenwoordige nood’ (1 Kor. 7: 26), wat waarschijnlijk duidt op een economisch en maatschappelijk moeilijke tijd. In dergelijke situaties is het voor gehuwden lastiger zich geheel aan Jezus toe te wijden: ‘Ik wil dat u zonder zorgen bent. De ongehuwde draagt zorg voor de dingen van de Heere, hoe hij de Heere zal behagen. Wie echter gehuwd is, draagt zorg voor de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw zal behagen’ (vers 32-33, zie ook vers 35). Dat grijpt dan toch weer terug op het Oude Testament, waar de bekende woorden uit Deuteronomium 6: 5 Israël oproepen om God met een onverdeeld hart toegewijd te zijn. 

Maar een ieder zijn gave
Bij Paulus kan het dus waar zijn: het is goed dat de mens alleen zij. 
Het is echter mogelijk dat bij het lezen van deze uitleg menig single innerlijk toch afhaakt. Want spreekt Paulus hier niet erg vanuit zijn eigen ervaring, nu hij het zelf blijkbaar niet moeilijk vindt om alleen te zijn? Legt hij dat niet al te snel ook een ander op? Die indruk kan inderdaad ontstaan als je 1 Korinthe 7 leest. Toch is het niet zo dat Paulus geen oog heeft voor de nood die er onder singles kan zijn. Want Paulus zegt nadrukkelijk dat hij het als een gave van God ziet dat hij zo leven kan, waardoor deze wens geen gebod is voor iedereen: ‘Want ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ikzelf, maar ieder heeft zijn eigen genadegave van God, de één op deze wijze, de ander op die wijze’ (vers 7). Single blijven omwille van het Koninkrijk is dus een genadegave die niet iedereen heeft, en Paulus respecteert dat. Want inderdaad, het is zwaar om single te zijn wanneer je ontdekt dat het je gave niet is. Wanneer onvervuld verlangen, gemis, onrust, verdriet, eenzaamheid of (seksuele) frustratie je leven domineren, zijn dat niet de signalen van de gave van het alleen blijven omwille van het Koninkrijk. Paulus onderkent dat, en stelt in dat geval: trouw dan! (vers 9). Waar Paulus voor het alleen-blijven de wensende vorm gebruikt (‘ik zou wel willen dat’), gebruikt hij voor het trouwen de gebiedende wijs: ‘laten zij dan trouwen’ (vers 9). In Korinthe waren veel seksuele verleidingen en uitspattingen, en dan getuigt het van realiteitszin als Paulus juist wel aandringt op een huwelijk, als zelfbeheersing ontbreekt en brandende seksuele verlangens je dreigen over te nemen. Want Paulus wil de gemeente geestelijk leiding geven ‘tot uw eigen voordeel, niet om een strik om u heen te werpen’ (vers 35).  

Huisgenoten
Dat brengt ons bij een probleem dat in de tijd van de Bijbel minder speelde: het ongewild alleen zijn. In de tijd van de Bijbel werden op jonge leeftijd huwelijken gesloten en bleven weinig mensen alleen. In die context kan Paulus dan bij ongewild alleen zijn de gebiedende wijs gebruiken: ‘laten zij dan trouwen’. Maar sinds de Tweede Wereldoorlog leven wij steeds minder in een overlevingscultuur, en steeds meer in een belevingscultuur. Er is minder (economische) noodzaak om snel te komen tot een huwelijk, en er is meer ruimte gekomen voor onze persoonlijke eigenheid. Mogelijk dat ongewild alleen zijn bij ons daarom vaker voorkomt dan in de tijd van de Bijbel. 
In dit verband is te wijzen op een andere lijn uit Paulus’ brief aan Korinthe. Namelijk: die gedeelten waarin Paulus oproept om als heel verschillende gemeenteleden toch één te zijn en een hechte gemeenschap te vormen, zodat niemand buiten de boot valt. Paulus spreekt in de aanhef van de brief de gemeente aan als ‘de gemeente van God, geheiligden in Christus Jezus’. Door het geloof in dezelfde God en Heiland is er een diepe eenheid in de gemeente die niet verwaarloosd mag worden. Wat je huwelijkse staat ook is, ten diepste gaat het in de gemeente om de eenheid in Christus. Waar die beleefd wordt, roept Paulus op: ‘Draag elkanders lasten, en vervul zo de wet van Christus’ (Gal. 6: 2). Dat is een gebiedende wijs voor heel de gemeente: gehuwden, zie om naar de singles (want het is niet goed dat de mens alleen zij), en singles, zie om naar de gehuwden (want er is veel eenzaamheid in huwelijken). Zo is niemand meer alleen, en zijn wij allen huisgenoten van één gezin: ‘Laten wij goeddoen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof.’  Want het is niet goed dat de mens alleen zij.