127e jaargang, 23 november, nr.24

Aan het einde van ons leven wacht ons de dood. Hoe diep ingrijpend dat einde ook is, de dood heeft niet het laatste woord, zo belijdt een christen. Voor wie in dit leven zijn vertrouwen op Christus stelt is de dood een doorgang naar het leven. Het leven hierna – hoe zal dat zijn? Kunnen we daar iets over zeggen, kunnen we daar iets van zien?

‘Een glimp over het randje’
Zes jaar oud was hij, toen Alex Malarkey in 2004 na een ernstig auto-ongeluk twee maanden in coma lag, op het randje van de dood. Nadat hij weer was bijgekomen, vertelde hij een verbijsterend verhaal over zijn bezoek aan de hemel, over gesprekken met Jezus en met engelen. Dit verhaal groeide uit tot het boek The Boy Who Came Back From Heaven (‘De jongen die uit de hemel terugkwam’). Het werd een enorme bestseller, gelezen vooral door kerkelijk publiek. Een paar jaar later bekende de jongen openlijk in een blog dat hij alles verzonnen had. Dat signaal hadden zijn moeder en hij al veel eerder afgegeven, maar niemand had daarnaar willen luisteren – het verhaal was té mooi.

Tot op de dag van vandaag zijn boeken over bijna dood-ervaringen (officieel afgekort als BDE) erg populair. De cardioloog Pim van Lommel meent in zijn vele malen herdrukte Eindeloos bewustzijn. Een wetenschappelijke visie op de Bijna-Dood Ervaring dat BDE het bestaan van een hiernamaals bewijst. Zijn boek werd meer dan een kwart miljoen keer verkocht. We zouden allemaal zo graag ‘een glimp over het randje’ willen hebben. Iets concreets, bewijzen, zekerheid. Vooral als wij zelf bij de grens van de dood komen, of van een geliefde die daaroverheen gaat afscheid moeten nemen. Toch zal geen BDE-boek dan enige troost kunnen bieden, in tegenstelling tot het Boek der boeken. Dát is ons houvast, het Woord dat eeuwig vast en zeker is.

De Bijbel over het hiernamaals
De Bijbel kent een diepe gerichtheid op de toekomst (‘eschatologie’), iets wat je in geen enkel ander religieus heilig boek zo aantreft. De Bijbel is het boek van de verwachting. Prachtig is de schepping rondom en het leven hier kent zijn vreugden – tegelijk is er altijd de keerzijde van het duister, van afbraak en kwaad. Maar het Woord van God leert ons verder zien. Zonde en dood zullen niet het laatste woord hebben. Door het labyrint van de geschiedenis heen baant God de weg naar de toekomst, zijn toekomst waarin Hij alles nieuw zal maken, de hemel en de aarde.

De hele Bijbel getuigt hiervan, maar wel met groeiende zekerheid en duidelijkheid. In het Oude Testament is het zicht op het leven hierna nog maar schaars, haast schimmig. In het Nieuwe Testament breekt in de dood en de opstanding van de HERE Jezus het volle licht door. Het laatste Bijbelboek opent onze ogen ten slotte voor wat in de hemel gebeurt. Het kwaad wordt voorgoed geoordeeld en de stad Gods daalt op aarde neer. Nadrukkelijk spreekt de Bijbel over de nieuwe aarde en over de opstanding van het lichaam. Voorstellingen over een zalig hemelleven als een soort uitvergrote kerkdienst met heel veel zingen, of als een oneindig luxueus luieren, zijn al te naïef.

Discontinuïteit en continuïteit
Wanneer we bij het lezen van de Bijbel proberen in te zoomen op de vraag hoe dit leven hierna zal zijn, stuiten we echter al snel op een grens. Er is discontinuïteit tussen nu en straks. Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, zegt Johannes (1 Joh. 3: 2). Dwaas ben je als je precies wilt weten hoe de doden worden opgewekt en met wat voor lichaam zij komen, zegt Paulus (1 Kor. 15: 35v.). Immers, er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt (1 Kor. 15: 44). De HERE Jezus waarschuwt ons ervoor om niet onze denkkaders en voorstellingen te projecteren op het leven hierna: ‘In de opstanding huwen de mensen niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel’ (Mat. 22: 30). Er loopt dus niet een rechtstreekse lijn van het leven hier door de breuk van de dood heen naar het leven hierna. Hemel en aarde moeten compleet vernieuwd worden. Het gaat eigenlijk over zulke onbeschrijflijk grote en heerlijke dingen, dat het onze verstaanscategorieën ver te boven gaat.

Toch is ook sprake van continuïteit tussen nu en straks. Er komt wel een vernieuwde aarde, niet een heel andere aarde. Wie in Christus sterft ontvangt wel een nieuw lichaam, maar verliest niet zijn/haar persoonlijkheid of identiteit. Als het gaat over Gods grote toekomst, spreekt de Bijbel hoofdzakelijk in beelden. De toekomst wordt niet gefotografeerd, maar geschilderd. We verstaan deze beelden het best als we ze lezen tegen de achtergrond van de hele Bijbel. De lange weg die God gegaan is met zijn volk en met deze wereld, om ons uit het duister te trekken naar zijn licht. Daarin neemt de komst en het werk van de HERE Jezus een unieke en beslissende plaats in. In Hem is Gods grote toekomst namelijk al begonnen: Hij stond op uit de dood, Hij als eersteling. Wat Hij gedaan heeft, is voorspel van wat komt. Het eeuwige leven ís een werkelijkheid reeds hier en nu, voor wie Christus’ woord hoort en Hem gelooft (Joh. 5: 24).

Maar hoe zal het straks zijn, hierna? Dit is niet in kaart te brengen, maar vanuit het Schriftgetuigenis kunnen we wijzen op in ieder geval vier zaken: de nabijheid van de HERE God, de gemeenschap met elkaar, de rust en de vreugde.

Hij bij ons
Het allermooiste, haast onvoorstelbaar maar zo machtig waar: God zelf zal bij ons zijn. ‘De tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen’ (Op. 21: 3). Als de Bijbel verder niets meer over Gods grote toekomst te zeggen had, zou dit alleen al meer dan genoeg zijn. Hij met ons, Immanuël. Geen afstand meer maar nabijheid, directheid. Geloven gaat over in zien.

Dit neemt ons mee naar het begin van het Oude Testament. God wandelde in de hof, was nabij ons mensen. Deze gemeenschap met God verbraken wij door onze afval. Maar God liet ons niet vallen. Het Oude Testament getuigt ervan hoe God in zijn zoekende liefde onophoudelijk ernaartoe werkt om bij de mensen te ‘wonen’, zelfs ook via een materiële tabernakel of tempel. De grote Naam die Hij aan Mozes openbaarde: ‘Ik zal met u zijn’. Als na eeuwen alles stukbreekt en Israël in ballingschap gaat, blijft er nog hoop. ‘Ik zal in uw midden wonen’, zo boodschapt Zacharia (2: 11). En dan komt Hij, de Immanuël, om in ons midden te wonen (Joh. 1: 14). Hij gaat Zelf de diepte in van zonde en dood, en overwint. Heel zijn volk trekt Hij tot Zich, door de kracht van zijn Geest woont Hij in hen (Ef. 3: 17). Toch blijft in het heden nog steeds de gebrokenheid, het falen, de duisternis.

Maar dan komt de dag der dagen – dat God zal zijn alles en in allen. Hij eeuwig Koning over alles en allen. Alle afstand valt weg. In de eeuwen der eeuwen ging het zuchten van de schepping in barensnood hiernaar uit. Wij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op ons voorhoofd zijn (Op. 22: 3v.) – zo belijden allen die hun hoop op hem gevestigd hebben.

Wij samen
Niet alleen valt in het leven hierna de distantie tussen God en mens weg, maar ook de distantie tussen mensen onderling. De kloven, de scheuringen, de scheidingen. Er zal zijn een ontelbare schare uit alle volk en stammen en natiën en talen (Op. 7: 9). Aan de tafel van het grote Bruiloftsmaal geven ze schaal en beker aan elkaar door, wat en wie ze ook waren: blank en zwart, oud en jong, rijk en arm, man en vrouw, Aziaat en Europeaan, gereformeerd en anglicaan. De genodigden aan het Bruiloftsmaal, tezamen zich eindeloos verheugend in de goedheid en glorie van hun Schepper en Verlosser.

Dit neemt ons mee naar het begin van het Oude Testament. Onmiddellijk na de afval van God kwam er de breuk tussen mensen onderling. Kaïn doodt Abel: de opmaat van wat komen zou. Met een onvoorstelbare geschiedenis van strijd, discriminatie, racisme. Na Babel gaan de volken uiteen, elk een eigen taal, maar ook elk met eigen machtsaanspraken. Het ene volk Israël dat God zich verkiest, hangt soms samen als los zand (zie het boek Richteren), en splitst ten slotte in Noord en Zuid. De HERE Jezus echter schept een nieuwe eenheid, uit Israël en de volken: twaalf discipelen, straks de kerk. Ook daar echter treden al snel scheuringen op, tot op heden. Maar dan komt de dag der dagen – en heel de ware kerk van alle tijden zal er zijn, volstrekt één. Machtig perspectief. Wij allen bij elkaar. En niemand ooit meer eenzaam.

Heel teer is altijd weer de vraag of we elkaar herkennen zullen. Je vrouw die je ontviel, je kind dat je zo mist. Zo zielsgraag zou je haar of hem weer zien, spreken, omhelzen. En dan de vraag hoe het zal zijn met hen wier leven zich beperkt of niet ontplooien kon, door een ernstige handicap, door een psychische ziekte of door dementie. Wijst niet juist ook hier het Bijbelse spreken over zowel discontinuïteit als continuïteit de richting? Als de HERE Jezus is opgestaan en aan de zijnen verschijnt, herkennen ze Hem aanvankelijk niet, maar later wel. De schare aan het Bruiloftsmaal van het Lam zal niet bestaan uit naamlozen, maar uit met name gekenden. We zullen geen vreemden voor elkaar zijn. In deze zin mogen we verwachten onze geliefden weer te zien. Zonder dat wat hun leven hier en nu kon beknotten en neerdrukken, maar getransformeerd en verheerlijkt.

Rust en vreugde
‘Schrijf, zalig de doden, die in de HERE sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na.’ (Op. 14: 13). Wat een heerlijk woord: ‘rust’. Er was zoveel dat het leven hier en nu belastte. Er was verdrukking en onrecht, er was de pijn van wat misging, wat nooit bereikt werd. De dag komt, dat de belofte van tot zijn rust in te gaan (Hebr. 4: 3) eindelijk vervuld is. De rust die voor Gods volk overblijft bestaat natuurlijk niet in een eeuwig niets doen, maar in de ongestoorde toewijding, in vrede en vreugde. De dood zal niet meer zijn en de zee (symbool van de chaos) zal niet meer zijn – alles wat de rust en vreugde altijd weer bedreigde.

Ook dit neemt ons mee naar het begin van het Oude Testament. De rust en vrede in de hof van Eden. Wat bleef ervan over nadat de mens van zijn God afviel? Schering en inslag van de geschiedenis werden het moeitevol bestaan en de bedreiging alom. Toch ging de HERE God te midden van dat alles door zijn spoor te trekken. Hij koos Zich een volk om in de rust te brengen, zo verhaalt het boek Jozua. Het motief van rust en vreugde keert voortdurend weer in de profetie, de hoop die zich verlangend naar Gods toekomst uitstrekt. In het midden der tijden komt de Vredevorst, en Hij roept allen tot Zich, allen die belast en vermoeid zijn, ‘en Ik zal u rust geven’ (Mat. 11: 28). Iets van die rust en vrede mag de gemeente van Christus ervaren, in het samenzijn rondom Woord en sacrament: tekens en zegels van wat komt. De grote Herder zal heel zijn kudde thuisbrengen, aan groene weiden en wateren der rust.

Over alles wat de Bijbel over het leven hierna boodschapt, valt de lichtkleur van de vreugde. Hoe het allemaal ook precies zal zijn, is ons nog niet geopenbaard, is voor ons onvoorstelbaar. Maar een ding is vast en zeker: de eeuwige vreugde. Wat er allemaal niet meer zal zijn: tranen, rouw, geklaag, moeite (Op. 21: 4). Wat er allemaal wel zal zijn en zelfs permanent: blijdschap, feestmaal, heerlijk eten en drinken, lofprijzing. Dit komt allemaal diep uit het Oude Testament. De profetie van Jesaja 25 wordt in het boek Openbaring ontvouwd en vervuld. Dan is voorgoed werkelijkheid waar David in de verte al naar uitkeek: ‘Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, lieflijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig’ (Ps. 16: 11).

Prof. dr. H.G.L. Peels is hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn