jaargang 130, nr. 22, 29 oktober 2021

Zijn er geen belangrijker thema’s waar kerk en theologie zich mee bezig moeten houden dan Maria? Die vraag is mij in diverse toonaarden gesteld toen ik de achterliggende tijd bezig was met een boek over Maria, dat inmiddels is verschenen. Kunnen we het niet beter hebben over de leer van de kerk, waar zoveel spanning op staat, of over de vragen van seksualiteit en gender, die vanuit de samenleving steeds nadrukkelijker worden gesteld? Aan de relevantie van die thema’s doe ik niets af, maar naar mijn overtuiging kan bezinning op Maria ook helpen om verder te komen in dat type spannende vragen. Belangrijker nog: aandacht voor Maria kan helpen om terug te komen bij de kern van het christelijk geloof, die we uit het oog dreigen te verliezen: de onuitsprekelijke genade van God en het geloof dat daarop het antwoord is. In dit artikel wil ik enkele facetten van Maria belichten. Ik begin bij het belangrijkste: haar geloof. 

Geloof
De evangelist Lukas schildert Maria tegen de achtergrond van Zacharias, de oudtestamentisch aandoende figuur die met zijn oude vrouw Elisabeth geen kinderen kan krijgen. Naar welke scheidslijn in de samenleving je ook kijkt, Maria staat steeds aan de verkeerde kant van de streep. Mannen telden meer mee dan vrouwen, ouderen meer dan jongeren, mensen in of rond Jeruzalem meer dan anderen in de heidense periferie. Maria is een jong meisje uit Nazareth, Nergenshuizen in het Noorden. Ze is arm bovendien. Daartegenover staat Zacharias, die wél man is en ouder, die niet alleen in Jeruzalem is maar zelfs priester, op de bijzonderste dag van zijn leven, als hij het reukoffer mag brengen in de tempel. Als er iemand Gods Woord moest kunnen geloven, dan Zacharias. Maar hij krijgt het niet voor elkaar te geloven dat Elisabeth daadwerkelijk een zoon zal baren. Zelfs niet als priester, zelfs niet in de tempel. Daartegenover staat Maria als toonbeeld van geloof. Wat Zacharias allemaal mee had, heeft zij tegen. Bovendien krijgt zij iets te horen dat nog veel ongelooflijker is dan de boodschap aan Zacharias. Dat een oude vrouw zwanger wordt, is hoogst onwaarschijnlijk, maar dat een maagd zwanger wordt, is simpelweg onmogelijk. Toch gelooft ze, ondanks haar gebrek aan kwalificaties. Daarmee is ze een bemoedigend voorbeeld: je hoeft niet aan bepaalde kwalificaties te voldoen om te kunnen geloven. Integendeel: geloof is afzien van je eigen kwalificaties en mogelijkheden en hopen op Gods Woord alleen.
Maria zegt: ‘Laat met mij geschieden overeenkomstig uw woord’ (Luk. 1: 38). Uiteindelijk is geloof niet meer, maar ook niet minder, dan dat. Gods beloftewoord moet waar worden, laat dat gebeuren. Geloof is Gods Geest in je laten werken. Het is voluit ‘ja’ zeggen op wat de levende God belooft, zonder de consequenties te kunnen overzien. Theologen kunnen nog altijd door discussiëren en boeken vol schrijven over wat de maagdelijke geboorte nu precies inhoudt. Wat heeft Maria ervan begrepen? Ze vertrouwt voluit, en dat is genoeg.
In heel Lukas’ evangelie is Maria het toonbeeld van geloof. Zij bewaart ‘al deze dingen in haar hart’ (Luk. 2: 51). Zelfs in de perikoop waarbij Jezus’ moeder en broers buiten staan en Jezus willen zien, wordt Maria niet uit de kring van de gelovigen gesloten. Jezus zegt immers: ‘Mijn moeder en Mijn broeders zijn degenen die het Woord van God horen en dat doen’ (Luk. 8: 21). En wie hoort en doet het Woord zoals Maria? Daarbij past ook wat Lukas als laatste over Maria schrijft. In Handelingen 1: 14 vermeldt hij haar voor de laatste keer, in het gezelschap van de discipelen in de bovenzaal: ‘Dezen bleven allen eensgezind volharden in het bidden en smeken.’
Er is reden om Maria de moeder van alle gelovigen te noemen. Zoals Abraham, de vader van alle gelovigen, onder het Oude Testament de eerste was die Gods belofte hoorde en gehoorzaamde, zo staat Maria aan het begin van het Nieuwe Testament. Het evangelie was letterlijk nog on-gehoord, niemand kende het, en de boodschap was vreemd, zelfs onmogelijk. Maar Maria aanvaardde deze boodschap als eerste. Velen zijn haar nagevolgd. Dat betekent niet dat zij nu als mens boven de mensen verheven moet worden. Juist niet. Zij is zo’n voorbeeld van geloof omdat ze zo’n toonbeeld van genade is. Zij is voorbeeldig in haar niet-voorbeeldig zijn. Juist omdat zij niets voorstelde, is haar voorbeeld bemoedigend voor mensen die het ook niet hebben, die op genade zijn aangewezen: zondaren en bedelaren, mensen aan de rand van de samenleving en van de kerk. Het is niet voor niets dat Lukas steeds aandacht vraagt voor mensen in de marge, voor vrouwen en armen.
Intussen is de kritische vraag of wij ook geloven. Dat je belijdend lid bent, ambtsdrager misschien, bevoorrecht met kennis en levenslang kerklid, is niet onbelangrijk maar het geeft de doorslag niet. Op het geloof komt het aan, je gewonnen geven aan Gods Woord. Dat is een wonder van genade, geen rekensom. Vanouds is christelijke gereformeerde prediking door dat accent gestempeld. Is dat nog altijd het geval? Af en toe hoor ik geluiden alsof het met de kerken niet meer goed zou kunnen komen en een breuk onafwendbaar zou zijn. Ik deel de zorgen, maar waar is het geloof? Het zou niet de eerste keer zijn dat wat onmogelijk is voor mensen, mogelijk blijkt te zijn bij God. Misschien moeten we nog meer aan het eind van onze mogelijkheden komen om uiteindelijk te zeggen: ‘Laat aan ons geschieden naar Uw Woord.’ 

Kerk
Bij de evangelist Johannes komt Maria minder vaak naar voren dan bij Lukas. Hij noemt haar twee keer, bij de bruiloft te Kana en aan de voet van het kruis. Johannes noemt haar consequent ‘de moeder van Jezus’. In Kana wijst Maria Jezus op het tekort aan wijn, maar Jezus zegt: ‘Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen’ (Joh. 2: 4). Dat ‘uur’ verwijst in Johannes steeds naar de kruisiging, het moment van de ‘verhoging’ van Jezus aan het kruis. Jezus’ woorden klinken niet bepaald vriendelijk, zeker als je bedenkt dat Hij Zijn moeder aanspreekt. Niettemin zegt zij tegen de dienaars: ‘Wat Hij ook tegen u zal zeggen, doe het’ (Joh. 2: 5). Dat is in een notendop ook Maria’s boodschap aan ons: luister naar Jezus Christus, wat Hij ook zegt. Eigenlijk is dat precies waartoe de kerk op aarde is: om te leven van de woorden van Jezus Christus en die te doen.
De episode aan de voet van het kruis is zo mogelijk nog belangrijker. Jezus verbindt Maria en Johannes aan elkaar: ‘Vrouw, zie uw zoon’ en ‘Zie, uw moeder’ (Joh. 19: 26-27). Daarmee legt Hij een nieuwe familieband, die de natuurlijke banden overstijgt. Maria was niet Johannes’ moeder, maar wordt het wel. In plaats van de natuurlijke bloedbanden komt de band door het bloed van de Gekruisigde. Precies dat maakt het eigene van de kerk uit: we noemen elkaar broeders en zusters, broers en zussen, omdat Jezus Christus ons aan zichzelf en daarmee ook aan elkaar verbindt. De plaats van de kerk is aan de voet van het kruis, waar de verhoogde Christus ons aan elkaar geeft. Na de opstanding zegt Jezus dan ook tegen Maria Magdalena dat zij naar ‘Mijn broeders’ moet gaan om Jezus’ opvaren te verkondigen ‘naar Mijn Vader en uw vader, naar Mijn God en uw God’ (Joh. 20: 17). Zo wordt de familieband, aan het kruis gelegd, door Hem bevestigd. Het opvallende is dat Petrus hierbij geen enkele rol van betekenis speelt, terwijl hij in het evangelie naar Mattheüs toch de rots genoemd wordt waarop Jezus Zijn gemeente bouwt (Matth. 16: 18-19). De Rooms-Katholieke Kerk heeft die tekst zelfs gebruikt als fundament voor het Petrusambt, de positie van de paus als plaatsvervanger van Christus.
Maria is in de kerk thuis. Door de discipel Johannes werd ze ‘moeder’ genoemd. Calvijn benadrukt dat de kerk zelf moeder is: in haar schoot vergadert God Zijn kinderen om hen te voeden zolang ze klein zijn en om moederlijk voor hen te zorgen als ze groter geworden zijn (Inst. 4.1.1.). Maria is daarvan een beeld: haar schoot biedt God de ruimte om mens te worden en de kerk is de ruimte waar ‘God woont door Zijn Geest’ (Ef. 2: 22). 

Israël
Helaas is in de geschiedenis Maria’s Jood-zijn onderbelicht gebleven. Als Mattheüs onder verwijzing naar Jesaja de maagdelijke geboorte belicht, gaat het hem niet om Maria’s maagdelijkheid als zodanig, alsof maagdelijkheid op zichzelf beter zou zijn dan de gehuwde staat. Nee, het gaat Mattheüs voortdurend om Gods trouw aan Israël, om Zijn ongedachte ingrijpen op de meest wonderlijke manier. Daarom is het ook van zo groot belang dat Jozef uit het geslacht van David is: de Messias zal immers de nieuwe David zijn. Helaas is al vrij vroeg in de kerkgeschiedenis de maagdelijkheid verzelfstandigd (en dus het seksuele leven lager gewaardeerd), terwijl Maria als Jodin buiten beeld raakte. De trieste geschiedenis van het Europese antisemitisme is er mede door te verklaren. De christelijke kerk mag echter nooit vergeten dat ze is ingelijfd in Israël.
In dit verband is de tekst uit Openbaring 12 illustratief. Johannes ziet een ‘groot teken in de hemel’: een vrouw die met de zon bekleed is, de maan onder haar voeten. Ze draagt een kroon van twaalf sterren. Deze zwangere vrouw baart haar kind, dat door een rode draak wordt bedreigd. Haar zoon wordt weggerukt naar God. Het is wel duidelijk dat met het kind Jezus Christus bedoeld wordt, maar wie is de vrouw? Interpretaties lopen uiteen van Israël (vrouw Sion), via Maria naar de christelijke gemeente. Waarschijnlijk is het juist de bedoeling om deze beelden in elkaar over te laten lopen. Maria is de sleutelfiguur die zowel tot Israël behoort als symbool is van de kerk.
In de latere traditie is Maria wel als hemelkoningin beschouwd, mede op basis van Openbaring 12. Duidelijk is echter dat het niet om haar macht of majesteit gaat, maar om haar verlossende kind. Intussen is Maria in diverse kringen wel gaan gelden als symbool van christelijk Europa. Van de vormgever van de Europese vlag, Arsène Heitz, is bekend dat hij zich heeft laten inspireren door Maria: de blauwe kleur van die vlag is Mariablauw en de twaalf sterren op de vlag zijn in de formatie geplaatst waarmee Maria in Middeleeuwse afbeeldingen vaak werd afgebeeld op grond van Openbaring 12: 1. Als Maria al als symbool van christelijk Europa kan gelden, dan gaat het niet om een militante vorm van nationalisme dat vreemdelingen uitsluit. Maria was immers zelf Jodin, ze was ons vreemd en het heil is van buiten Europa naar binnen gekomen. Op ongeveer dezelfde plek waar een Europeaan Paulus riep om over te komen om ons te helpen, drijven nu mensen op de vlucht Europa tegemoet. Wie oog wil hebben voor Maria, moet ook oog hebben voor de vluchteling.  

Vrouw
Dat Maria als vrouw door God in dienst werd genomen, is niet toevallig. Met name de evangelist Lukas vestigt herhaaldelijk de aandacht op vrouwen, van Elisabeth via de vrouwen als eerste getuigen van de opstanding naar Lydia, de eerste Europese gelovige. Achter Maria staat een hele rij oudtestamentische vrouwen, die door God werden gebruikt op spannende momenten in Israëls geschiedenis: Debora en Jaël in de Richterentijd, Ruth de Moabitische stammoeder van David, Esther die het Joodse volk in leven behoudt. Hierbij vergeleken steekt de traditie van de kerk soms wat schraal af. Dat geldt met name waar Eva gaandeweg hoe langer hoe meer als hoofdschuldige aan de zondeval werd beschouwd en Maria als ideale vrouw daartegenover werd geplaatst. Dat ideaal was eenvoudigweg onbereikbaar, want niemand anders kan zowel maagd als moeder zijn. De kerk die vorm kreeg aan de voet van het kruis, uit moeder Maria en zoon Johannes, is de plek waar vrouwen en mannen samen God groot maken.