jaargang 131, nr. 07,1 april 2022

Overbekend zijn deze woorden uit het hogepriesterlijk gebed van de Here Jezus in Johannes 17. Dikwijls lopen de gedachten die ze oproepen echter uit op iets met ‘eigenlijk’. Het verlangen de oeverloze verscheurdheid van het lichaam van Christus te doorbreken loopt stuk op onmacht. Ook de realiteit van partijen binnen de kerk toont geen eenheid, eerder afwijzing, en verlamt kerkelijke vergaderingen tot nogal zakelijke besprekingen. Het ooit – in de tijd na de Reformatie – gebruikelijke vieren van het avondmaal in een nationale synode roept zelfs bevreemding op. Het zou moeten kunnen ja … Eigenlijk.

Het moment
Onze Heiland bidt terwijl Hij in de kring van Zijn leerlingen is. Hij had, voor ze het Pascha gingen vieren, ieders voeten gewassen, omdat niemand anders het deed. Nog tijdens de maaltijd was Judas vertrokken om zijn Meester te verraden (Joh. 13). Vervolgens bemoedigde Jezus Zijn discipelen met zulke intense en liefdevolle vermaningen en beloften, waaronder de belofte van de Heilige Geest, de Trooster (Joh. 14-16). Zo werden ze voorbereid op grote droefheid. Als ze zelfs zullen wegvluchten van Jezus, waren toch die bemoedigingen er (Joh. 16: 16-33). Ze konden dat helemaal niet verwerken, maar voor de Here Zelf was duidelijk: Hij gaat naar het kruis, en Hij neemt hen ook dan met Zich mee. Daarom wil Hij ze ook dicht bij Zich hebben als Hij in gebed gaat (Joh. 17). Ze moeten zich wel vreemd hebben gevoeld; hopelijk begrijpen we dat, als we dit gebed lezen.
Dit is niet het Onze Vader, waarin de Here ons meeneemt naar de Vader toe. Hier is Jezus alleen met Zijn Vader. Hij alleen weet dat Hij gevangengenomen, en veroordeeld, en gekruisigd gaat worden.
Toch gebeurt er ook iets tussen Jezus en Zijn discipelen. En tussen Jezus en Zijn kerk. Zwaar is het hogepriesterlijk gebed geladen met de zwakheid van Zijn vrienden, en met de gebrokenheid van Zijn kerk, tot in de eenentwintigste eeuw toe. Jezus’ gebed blijkt ook over ons te gaan.

De Meester aan het werk
Jezus legt voor Zijn Vader neer wat Hij voor Zijn leerlingen heeft gedaan. Hij heeft de Naam van de Vader geopenbaard aan hen die de Vader Hem gegeven had. En de woorden die Jezus van de Vader ontvangen had, hebben ze van Hem aangenomen en bewaard, en ze geloofden dat de Vader Hem gezonden had (vs. 6-8). Zo heeft Jezus Zijn leerlingen toegerust tot het verder brengen van de boodschap van God de Vader, om het fundament te leggen voor de toekomst van Gods volk op aarde. Die geschiedenis begon tussen de Vader en de Zoon. Dat op aarde te verwerkelijken is de ontzaglijke taak geweest van Gods Zoon Die mens werd. Het geloof van Zijn volgelingen dat de Vader Hem gezonden had (vs. 9) was zo wezenlijk! Vanuit dat begin bij God de Vader gaat het verder! Jezus gaat naar het kruis, en Zijn Woord de wereld in. Er wacht nog een grote roeping: het Evangelie van het Koninkrijk van God zal verder gaan, ook als Jezus niet meer op de aarde is.
Dit gebed onthult hoe diep Christus bewogen is vanwege dat wereldwijde werk. Hij volbrengt wat Hij begonnen is in Zijn onderwijs, in tekenen, in vermaningen, in gebedsstrijd, in verzoekingen, in beloften voor verloren, dwaze zondaren. Hij geeft Zijn Koninkrijk door, beschikt het aan Zijn leerlingen (Luk. 22: 29), want het moet verder. Daarom bidt Hij hier zo indringend voor hen. ‘Bewaar hen die U Mij gegeven hebt in Uw Naam, opdat zij één zullen zijn zoals Wij’ (vs. 11). Het is één getuigenis, één Koninkrijk, één Naam voor de wereld. Hoe zwaar weegt het Hem dan, dat in hun taak als vertegenwoordigers van de Meester geen scheur zal komen. De Here heeft hen gevormd als een gezin, in die periode van drie intensieve jaren. Hij was hun hoofd. De opdracht die bij God de Vader vandaan kwam, kon alleen begrepen worden vanuit de eenheid van de Vader en de Zoon. Hun onderlinge eenheid maakt deel uit van de opdracht die verder moet. ‘… opdat zij één zullen zijn zoals Wij’ (vs. 11).
Dat thema éénheid is een rode draad door heel het werk van Christus. Ook als in de toekomst Zijn eigen werk uit zal lopen in de gemeente die Zijn lichaam heet.

Heiliging en eenheid
Geláden zijn de woorden in Jezus’ gebed. Hij bidt voor de Zijnen: ‘Heilig hen door Uw waarheid; Uw woord is de waarheid’ (vs. 17). Even daarna: ‘Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid’ (vs. 19). Met het woord heiligen duidt Jezus niet slechts aan dat Hij vóór hen met Zijn bloed de prijs voor hun verlossing zal betalen. Het omvat ook dat Zijn verlossingswerk een relatie met hen inhoudt, met de discipelen én met allen die door hun woord in Hem zullen geloven (vs. 20). Ze zijn al van Hem. Christus deponeert Zijn verlossing niet als een onpersoonlijke hoeveelheid heil, waar men gebruik van kan maken. Biddend draagt Hij allen persoonlijk al, door alle eeuwen heen!
Er loopt een lijn vanaf het paradijs naar de weg van Gods heil, door de hele geschiedenis heen. God schiep de mens in een relatie met Hem: naar Zijn beeld en gelijkenis (Gen. 1: 26-27). Een heilige familieband was de relatie met God! God was bij ons thuis, en wij bij Hem. Totdat wij ongehoorzaam werden en ons verborgen voor God (Gen. 3:8). Hem ontmoeten was ondraaglijk geworden. Maar in plaats van de uitvoering van de toegezegde straf – de dood (Gen. 2: 17) – klonk Gods stem: ‘Waar ben je?’ (Gen. 3: 9). God spreekt nog tot de onheilige mens. En God blijft spreken, de hele Bijbel door! In het verbond met Zijn volk klinkt dat woord heilig! ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11: 44-45). Een levensbepalend woord met het oog op de relatie met God. Maar het werd opnieuw een drama. Gods volk is een onheilig volk. Eindeloos blijkt de herhaling van het paradijs. Geen relatie dus meer met God, maar een breuk. Maar hoe wonderlijk – nog blijft de HERE roepen! Profeten als Jesaja moeten het verkondigen: ‘Tegen een volk dat Mijn Naam niet aanriep heb Ik gezegd: Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik. De hele dag heb Ik mijn handen uitgespreid naar een opstandig volk, dat de weg gaat die niet goed is, naar hun eigen gedachten …’ (Jes. 65: 1-2). Gods stem, net als in het paradijs! En zwaar kwam het oordeel van de ballingschap.
Maar – ‘ten slotte stuurde Hij Zijn zoon naar hen toe’ (Matth. 21: 37).
Jezus, Gods Zoon, Gods laatste optie. En Hem horen we zeggen: ‘Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid’ (vs. 20). Met het werkwoord heiligen sluit Hij hen in. En dán volgen die woorden over éénheid: ‘… opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn’ (vs. 21). Intens blijkt hoe in Christus de brug is geslagen, van hemel tot hel, op Golgotha: heiliging en éénheid in Hem.

Christus bidt voor de eenheid van de kerk
Hier moeten we even stilhouden. Degenen voor wie de Here hier bidt, zijn zij die door het Woord van de apostelen in Hem geloven (vs. 20). Dat is de kerk. Dáár weten we wie Christus is, en kennen we Zijn overgave tot in de dood. Daar is de waarheid die van Hem spreekt. Geheiligd in de waarheid houdt een verbinding in met Hem, door het geloof. Het is de gemeente die Hij de Zijne heeft gemaakt, Zijn volgelingen. Die intense relatie tussen Hem en de gelovigen wordt in het Nieuwe Testament wel omschreven met het beeld van het Hoofd en het lichaam. De kerk dus, volkomen aangewezen op haar Hoofd. Uit Hem Die Zich voor haar heeft geheiligd, Zich heeft overgegeven, komt haar groei en haar bestaan (Ef. 4: 16; 5: 23).
Dat moet ons eerbiedig maken als het over eenheid gaat. Jezus bidt voor individuele gelovigen, opdat zij één zullen zijn. Het gaat nooit over lichamen van Christus. Kerk is steeds enkelvoud. Precies waar het bij ons ongemakkelijk begint te worden. Wij zien een heleboel lichamen van Christus die niet door één deur kunnen. Maar de kerk waar de Here Jezus voor bidt is één, en zál één zijn, want zij is uit Hem.
We bidden wel voor de eenheid van de kerk. Wij, en velen in vele kerken meer. Soms wordt binnen één kerkgemeenschap gebeden om eenheid, maar wordt geaarzeld om dat kerkbreed te doen. Er gaat zoveel mis in de gemeente van Hem Die ons Hoofd is. We vergeten dat de woorden bij elkaar horen die bij ons zo gemakkelijk los verkrijgbaar zijn.
Ik bedoel het woord waarheid – dat is wat we belijden over Christus, ons Hoofd, en over Zijn Geest. En dat de kerk van Hem is, en niet van ons.
Ik bedoel ook het woord éénheid – dat gaat over de zichtbare kerk, met een zichtbare en hoorbare belijdenis. We belijden daarvan ‘dat niemand (…) zich afzijdig mag houden en aan zichzelf genoeg mag hebben. Maar allen behoren zich bij haar te voegen en zich met haar te verenigen om de eenheid van de Kerk te bewaren …’ (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 28).
Als we terugvallen op Johannes 17 vallen we terug op de Gekruisigde, Die Zichzelf heiligt tot in de dood, tot verzoening van de schuld, dat grote obstakel tussen God en ons. Van Hem bestaat de kerk. En dus ook haar eenheid.

Moeilijk?
Ja, moeilijk. In de discipelkring was een zeloot en een tollenaar, zeg maar een verzetsman en een NSB’er. In dat gezin was alleen Jezus bereid de voeten van de anderen te wassen. Steeds weer hadden ze het erover wie van hen de belangrijkste was. Voor hen bad Jezus.
En voor Zijn kerk na Pinksteren. Ze hadden nog nooit een synode gehad. Dat kwam pas toen grote onenigheid rees, een ernstig geschil. Eerst in Antiochië (Hand. 15: 2), daarna in Jeruzalem. De apostelen en de oudsten vergaderden erover. Een heftige woordenstrijd over de status van gelovig geworden heidenen in de kerk. Een belangrijk punt! Scherp staan ze tegenover elkaar. Maar er kwam een weg die de scheur dichtte.
Voor die kerk bidt Jezus. Ook voor gemeenten als van Korinthe, met haar partijschappen. ‘Ik ben van hem …’ ‘Nee, ik ben van die …’
En voor ons bidt de Heiland. Hij brengt er Zijn heilig lichaam en bloed bij in.
Hij kent de impasse van ‘onze’(!) synode. En Hij bidt.
Hij kent de lange en moeizame geschiedenis van inspanningen voor de eenheid van de gereformeerde belijders. En Hij bidt.
Hij kent de manier waarop stemming wordt gemaakt. In Zíjn kerk! En Hij bidt.
Hij kent het eelt op onze ziel. En Hij bidt.
Hij kent ook onze knieën. En Hij bidt: Opdat ze één zijn, zoals ook Wij …