jaargang 130, nr. 7, 2 april 2021

Geen Pasen zonder Goede Vrijdag, maar ook geen Goede Vrijdag zonder Pasen. De betekenis van Pasen komen we niet langs onze tijdlijnen op het spoor alsof wij alleen maar af moeten tellen. Er komt in het licht van Pasen een andere tijdsorde aan het licht. Een dag in het licht van Pasen maakt alles anders, zelfs waar ogenschijnlijk alleen de dood en de zonde het voor het zeggen lijken te hebben. 

Jezus Christus is de Zoon van God en present als de Levende! Niet ‘bij wijze van spreken’, maar zo werkelijk als Hij op de eerste dag van de week een stuk gebakken vis en van een honingraat gegeten heeft: Hij verrees lichamelijk uit het graf (Luk. 24: 41-43). Aan de betekenis van Pasen kan woorden gegeven worden door te letten op drie dagen: de eerste dag, de achtste dag en elke dag ofwel vandaag.  

De eerste dag
Pasen heeft in de eerste plaats alles te maken met het woord ‘rechtvaardiging’. Daarbij komt misschien als eerste de gedachte boven die Paulus schreef aan de gemeente van Rome: ‘Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging’ (Rom. 4: 25). Pasen wordt daarom wel het ‘amen’ van de Vader op Goede Vrijdag genoemd. De Zoon heeft op Golgotha geroepen: ‘Het is volbracht!’ (letterlijk: ‘Het doel is bereikt!’). Daarna gaf Hij Zich over in de handen van de Vader en werd Zijn lichaam het graf in gedragen. Het heeft diepe zin om de opwekking van Jezus door de Vader op de paasmorgen te zien als de handtekening van de Vader onder het werk van de Zoon. ‘God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende …’ (2 Kor. 5: 19). Op Pasen klinkt op hoger toon en het is onomkeerbaar: ‘De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan; ook zie Gij geen van hunne zonden aan’ (Ps. 85: 1). 

Toch is er bij het woord rechtvaardiging een andere kant. Dat is zelfs het éérste, namelijk Pasen als de publieke bekendmaking van de ‘rechtvaardiging van Jezus’. Dan heeft het woord rechtvaardiging de betekenis van ‘in het gelijk gesteld worden’, ‘in je recht staan’. Even op scherp gezet: zonder Pasen hangen al Jezus’ woorden en al Zijn daden in de lucht, zoals Paulus betoogt in 1 Korinthe 15: alles is dan tevergeefs. Neem dan het moment van Jezus’ sterven daarbij zoals het zich ogenschijnlijk aangediend heeft: een roemloos einde van Hem die veroordeeld is als een godslasteraar, omdat Hij sprak en handelde als God in eigen persoon. Zijn sterven lijkt een grote streep te halen door alles wat Hij gezegd en gedaan heeft. Hij de eeuwige Zoon van God, de beloofde Messias, de messiaanse Zoon? Het lijkt een grote aanfluiting! Totdat … de eerste dag aanbreekt: de Vader plaatst Zich helemaal achter deze Zoon en bevestigt met de opstanding dat Hij Zelf achter alle woorden en daden van Jezus staat. In het evangelie naar Johannes krijgt dat aspect bijzondere nadruk. Wat als een onterechte en zelfs godslasterlijke pretentie van Jezus van Nazareth werd gezien, blijkt volkomen terecht te zijn! In de opstanding wordt publiek bekendgemaakt en officieel door de Vader verklaard dat Jezus Christus helemaal bij Hem hoort en dat de goddelijke namen, daden, eer en eigenschappen Hem werkelijk toekomen.  

Dat wil een ‘moeilijke’ tekst als Romeinen 1: 1-4 tot uitdrukking brengen. ‘Paulus … afgezonderd tot het Evangelie van God, dat Hij beloofd had door Zijn profeten in de heilige Schriften, ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is uit het geslacht van David, wat de Geest van de heiliging betreft, is Hij met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door de opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere.’ Nee, Jezus Christus begón niet pas Zoon van God te worden na Zijn opstanding. Paulus legt de nadruk op het feit dat Hij ‘in kracht bewezen’ heeft de Zoon van God te zijn. Het woord ‘bewezen’ kan weergegeven worden met ‘publieke aanstelling’. Vergelijk het met iemand die al benoemd was tot burgemeester, maar vervolgens nog in het openbaar zijn ambt aanvaardt en beëdigd wordt. Jezus was al de Zoon van God, maar de opstanding heeft dat ‘in kracht’ aan het licht gebracht. De Zoon van David (afkomst ‘naar het vlees’) is de Zoon van God (Zijn ‘afkomst’ van God). Soortgelijke woorden horen we op de eerste pinksterdag (Hand. 2: 36): tot een Heere aangesteld! En juist deze verheven positie die Jezus ontvangt na Zijn volbrachte werk op aarde leidt tot de vaste overtuiging dat Hij ‘altijd al’ de Zoon van God geweest is. De ‘Man van smarten’ is het door Wie (Joh. 1; Hebr. 1) en in Wie (Kol. 1) alles geschapen is. Zo is Pasen allereerst een moment van onuitsprekelijke vreugde geweest voor de Zoon. De grootste vreugde van een christen is déze vreugde! ‘Wees gegroet, gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis.’  

Op iedere eerste dag van de week wordt deze publieke bekendmaking herhaalt: ‘De Heere is werkelijk opgestaan’! Preken zonder opstanding is een slag in de lucht. Nu echter in de Naam van Jezus, de Zoon van God, als de Levende bekering en vergeving van zonden gepredikt ‘moet’ (!) worden onder alle volken (Luk. 24: 47), zal het Woord vrucht dragen. Hij is immers Zelf tegenwoordig als de sprekende (Hebr. 12: 25). In het licht van Pasen is iedere eerste dag een Heer-lijke dag. De prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze én van de God Die recht doet en zal zorgen voor Zijn eigen gelijk (Joh. 16: 8-10). 

 

De achtste dag
Dat zevende tijdperk echter zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn, maar de dag des Heeren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag, geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is van de eeuwige rust, niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam. (Augustinus, De stad van God, XXII.30) 

De opstanding van Jezus uit de doden is geen herleven. Er volgt niet weer gewoon een volgende dag, na de zevende weer de eerste. Jezus is immers ‘aan de overkant’ van het graf opgestaan. Dat in tegenstelling tot andere dodenopwekkingen uit het Oude en Nieuwe Testament. De lichamelijke opstanding van Jezus Christus is wat anders dan dat een dood lichaam weer gaat leven. Dat blijkt op allerlei manieren uit het feit dat Hij na Pasen geen Andere, maar wel anders is dan vóór Pasen. Om een voorbeeld te noemen: Zijn komst in het midden van de discipelkring op de opstandingsdag en weer een week later (Joh. 20: 19, 26). Hij kan nu ineens ergens verschijnen en ook zo weer verdwijnen. Wél met het lichaam dat de tekenen vertoont hoe Hij door de ‘ingang van het graf’ gedragen is. Nu Hij echter door de ‘uitgang van het graf’ naar buiten is gegaan op de opstandingsmorgen, blijkt Hij niet meer onderworpen te zijn aan de beperkingen van het menselijk bestaan. Hij is met een ‘verheerlijkt lichaam’ opgestaan, plegen we dan te zeggen. Dat is een lichaam dat reeds deelt in Gods werkelijkheid: Jezus leeft al in Gods ruimte aan de overkant van het graf, in Gods eeuwigheid. Deze ‘uitgang van het graf’ onttrekt zich aan onze waarneming. De woorden van Jezus ‘Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid’ (Joh. 11: 25-26) klinken als een leugen bij de ‘ingang’ van een graf. Ze zijn echter werkelijkheid aan de ‘overkant’ van het graf: een doorgang tot het eeuwige leven! 

De symbolische aanduiding van de achtste dag – en laten we de betekenis van de achtste dag onder Israël niet vergeten – heeft diepe zin om aan te geven dat in de opstanding van Jezus er een nieuwe tijd aangebroken is. De poort is geopend naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, een nieuwe kosmos. ‘Wie in Christus is, is een nieuwe schepping’ (2 Kor. 5: 17). Die nieuwe schepping, die nieuwe orde, de nieuwe leefwijze, het nieuwe bestaan, zijn reeds werkelijkheid in Christus. Deze toekomst is ‘in Hem’ onderweg. Op deze achtste dag krijgen zij die in Christus zijn en delen in deze werkelijkheid, allemaal een nieuwe naam. ‘Welk een dag der ruste zal dat wezen, als we onsterfelijk uit de dood verrezen, knielen voor Uw dankaltaar. Amen, Jezus, maak het waar!’ 

Elke dag …
Wat heeft Pasen met ons dagelijks bestaan te maken? Als we nog leven buiten Christus, leven we slechts als ‘dagjesmensen’: we eten en drinken, en morgen – geen achtste dag – sterven we. Tegelijkertijd zijn er op z’n minst twee dingen die Pasen verbinden met ons leven van iedere dag. In de eerste plaats verbindt het Woord van God Goede Vrijdag en Pasen met het leven van alle gelovigen met de doop. ‘Leer ons daag’lijks, leer ons duizendwerven in Uw kruisdood meegekruisigd sterven, en herboren – opgestaan, achter U ten hemel gaan.’ Misschien toch nog eens naar de (achthoekige?!) doopvont kijken op eerste paasdag en ons afvragen of we onze doop hebben leren verstaan in het licht van deze heilsfeiten. De Geest wil ons toe-eigenen wat we in Christus hebben. En wat is er onnoemelijk veel ‘in Christus’! Pasen is zo vanuit de levende Christus de bron voor de heiliging van het leven.  

In de tweede plaats is er de verbinding met ons dagelijks leven via onze agenda’s. Onze agenda’s mogen wel wat meer paasagenda’s zijn. Daarmee is dan meer bedoeld dan een agenda die als eerste dag van de week de zondag heeft en niet de maandag. Dat is wel armzalig, maar dat is het ook als de zondag niet alle dagen doortrekt. Een paasagenda krijg je door boven iedere dag de woorden te schrijven die Paulus schreef ter bemoediging van Timotheüs: ‘Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt’ (2 Tim. 1: 8). Kan het praktischer dan eerst ’s morgens dit in gedachten te brengen: Hij is vandaag de levende Heere? Of een dag in het licht van de opstandingsdag anders is. Of werkdagen in het licht van de eerste dag van de week anders zijn. 

‘Traagheid, neerslag van walg, is de motor van het mateloos bezig-zijn met hoofd en handen, instrumenten van arbeid óf instrumenten van vermaak, want ook het vermaak moet – zo ziek is de mens – een inspanning worden, een recordjagerij. Het kan niet anders zijn, want het wezen van de “levensmoeheid” is dat de mens niet stil wil zijn, omdat in elke stilte aan den dag zou komen dat hij niet lééft, dat hij nog nooit is begónnen te leven naar zijn aard en bestemming (…).
En zo zeker de sabbat in de bijbel niet het secundaire tegenover de arbeid, niet de uitlaat van de spanning is, niet het loon op ons zweet, maar juist het primaire, het uitgangspunt, het geleide en de modulatie van alle bestaan (…) zo zeker is de vrije tijd niet het secundaire tegenover de arbeid als het primaire; zo zeker is ook de geestelijke viering van ons passief schepsel-zijn in al zijn vormen de openbaring van het meest wezenlijke der Gods genade van de geschonken tijd.’ (K.H. Miskotte, ‘Kerkgang tegen de verveling’) 

Zo is een leven uit Pasen een oefenen in een leven vanuit de achtste dag. Sterven om te leven.