127e jaargang, 27 april, nr.9

De Bijbel en de huidige discussie over ‘voltooid leven’

Het zal er in deze bijdrage om gaan vanuit de Bijbel enig licht te laten schijnen op een vraagstuk dat vandaag zo heftig speelt en dat we aanduiden met de term ‘voltooid leven’.

De titel van dit artikel lijkt erop te zinspelen, maar de Bijbelvaste Wekkerlezer zal in eerste instantie aan iets anders gedacht hebben. Op een aantal plaatsen in het Nieuwe Testament lezen we dat ‘de tijd vervuld’ is. In Galaten 4: 4 schrijft Paulus dat toen de volheid van de tijd gekomen was, God zijn Zoon gezonden heeft, tot ons behoud, volgens zijn heilsplan. Nergens zien we dat duidelijker dan in het lijden en sterven van Christus. In Johannes 13 schrijft de evangelist dat Jezus wist dat zijn tijd gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader. Hij haast zich eraan toe te voegen dat Christus die weg zó is gegaan dat Hij de zijnen die Hij in de wereld liefhad, heeft liefgehad tot het einde. Het woord ‘einde’ betekent ‘doel’: Jezus heeft de zijnen liefgehad tot het doel bereikt was, de verzoening van hun zonden voor het aangezicht van de Vader. Vlak vóór Hij sterft zegt Jezus: ‘Het is volbracht.’ Dat houdt dus in: het doel is bereikt, het goddelijk heilsplan is voltooid. Zo gezien is er in deze wereld dus maar één ‘voltooid leven’ geweest, dat van onze Here Jezus Christus. En er zal ook nooit een ander leven zijn waar dat van gezegd kan worden …

Als vandaag de term ‘voltooid leven’ gebruikt wordt, heeft die ook een totaal andere inhoud en betekenis. Bert Keizer, als arts in dienst bij de Levenseindekliniek, erkent heel eerlijk dat, hoe vriendelijk-verhullend de term ook klinkt, we er ‘iets heel vervelends’ mee aanduiden. ‘Het gaat om die moeizame toestand waarin je zegt: ik wil niet verder.’[1]

Sterven in goede ouderdom …
Voordat ik echt naar de discussie van vandaag toe ga, wil ik eerst nog even verder lezen in de Bijbel. In Genesis 25: 8 lezen we dat Abraham ‘de geest gaf en stierf in goede ouderdom, oud en van het leven verzadigd’, en in Genesis 35: 29 staat van Izak dat hij ‘oud en van dagen verzadigd’ was. In Genesis 49: 33 lijkt Jakob haast iemand die zelf het tijdstip van zijn dood bepaalt: ‘Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest’. Hoe moeten, mogen we dit verstaan?

Om te beginnen kunnen we eruit opmaken dat het goed Bijbels is als wij wel spreken van een ‘gezegende ouderdom’. Maar de ouderdom kan in Prediker 12: 1 ook worden gekarakteriseerd als ‘de kwade dagen’, waarvan we zeggen: ‘Ik vind er geen vreugde in’. Dat is niet met elkaar in tegenspraak. Dat Abraham en Izak van het leven verzadigd zijn wil iets anders zeggen dan dat ze alles uit het leven gehaald hebben van wat er voor hen in zat en daarna nog geruime tijd genoten hebben van een ‘Zwitserlevengevoel’. Jakob zegt tegen Farao: ‘Het aantal van de jaren van mijn vreemdelingschap is honderddertig jaar. Weinig in getal en vol kwaad zijn mijn levensjaren geweest.’ (Gen. 47: 9) De aartsvaders hebben beleden dat ze ‘vreemdelingen en bijwoners’ (Hebr. 11: 13) waren, en als mensen die hier geen blijvende stad hadden, maar de toekomstige zochten (Hebr. 13: 14), hebben ze zich niettemin verheugd in het goede dat de Here hun gaf.

In 2016 is het boek van Els van Wijngaarden, Voltooid leven, verschenen. Daarin geeft zij verslag van een aantal gesprekken met mensen die kenbaar hadden gemaakt dat zij ‘verlangden naar een goede dood’[2]. Wat mij in de weergave van die gesprekken opviel is dat een enkeling nog wel geloofde in een leven na de dood, maar dat God en zijn Koninkrijk voor niemand van de geïnterviewden enige rol speelde. Het waren vrijwel allemaal mensen die zich de vandaag heersende gedachte, dat we auteurs zijn van ons leven en er zelf zin en inhoud aan geven, helemaal eigen hadden gemaakt. Maar dat zelf zin en inhoud aan het leven geven was inmiddels langzamerhand weggevallen, ze deden niet meer mee. Eén van de geïnterviewden had aangeboden om les te geven aan asielzoekers, maar men had haar niet teruggebeld. Ze had het opgevat als signaal: we kunnen je niet gebruiken. Dat is natuurlijk schrijnend.

Paulus wijst erop (Ef. 6: 2) dat het vijfde gebod het eerste is met een belofte. Het eren van je vader en je moeder staat onder de belofte dat het je goed gaat en dat je lang zult leven in het land dat de Here je geeft. Opnieuw zien we dat we ons oud worden als Gods zegen mogen ervaren. Maar het vijfde gebod zegt nog iets meer en we moeten het niet puur-individualistisch opvatten. Er is ook mee gezegd dat je de kwaliteit van een samenleving kunt aflezen aan hoe met ouderen wordt omgegaan. Geven we hun het respect dat hun toekomt, of tellen ze niet meer mee en stralen we uit dat ze voor ons niet hoeven te blijven?

De discussie van vandaag
Wie de afgelopen veertig jaar overziet heeft de discussie rond wat ‘euthanasie’ heet zien veranderen. Aanvankelijk was de vraag, of er wettelijk ruimte zou mogen zijn voor actieve levensbeëindiging in situaties van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Bij dat laatste dacht men uitsluitend aan ongeneeslijk zieken in de terminale fase, als er menselijkerwijs gesproken geen enkel uitzicht meer was op herstel. Of iedereen destijds ook besefte welke wissel we als samenleving overgingen?

Inmiddels gaat het om heel andere vragen. In de discussie zoals die vandaag speelt wordt er wel voor gepleit om het criterium van enigerlei vorm van lijden los te laten voor mensen boven de 75. Maar een goed jaar geleden overviel Martin Kock, een man van toen 57 jaar, tijdens een uitzending van Nieuwsuur D66-leider Pechtold met zijn vraag, waarom hij geen hulp zou mogen krijgen om uit het leven te stappen. Ter plekke erkende de heer Pechtold dat het trekken van een streep bij 75 jaar willekeurig is. We hebben trouwens al een ‘levenseindekliniek’, die een vrijgezelle Haagse ambtenaar die geen gat zag in het leven dat na zijn pensioen op hem wachtte actief hulp bij zelfdoding heeft gegeven.

Is het nodig dat zo iemand hulp krijgt om zijn doodswens ten uitvoer te brengen? De al genoemde Bert Keizer schreef kort geleden: ‘En dan dat zinloze bonken op de muur van “de overheid” om je levenseinde af te dwingen, terwijl je je maar hoeft om te keren en zie: daar is de deur waardoor je zo het graf in kunt stappen. Doe het toch zelf!’[3] Niettemin heeft dezelfde Bert Keizer een nog redelijk gezonde en actieve mevrouw die niet verder wilde leven geholpen om haar euthanasie-aanvraag zo in te kleden dat die kans op slagen zou maken. Het is van een voor mij onvoorstelbare kilheid en platheid als hij over haar aanvraag schrijft: ‘Voordat we de SCEN-arts in consult roepen moet ik haar van haar dappere monterheid zien af te helpen, want dat kan zo niet.’[4]

Wilsonbekwaam
De ontwikkelingen inzake euthanasie zijn ook goed af te lezen aan de manier waarop met ‘wilsonbekwaamheid’ wordt omgegaan. In de beginfase van de discussie lag daar nog een taboe. Maar toen was Alzheimer nog niet het schrikbeeld dat het vandaag is, nu dementie bezig is volksziekte nummer 1 te worden. De geestelijke onttakeling waarmee deze ziekte gepaard gaat wordt algemeen ervaren als de ergste ontluistering die een mens kan overkomen. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de mensen die zich erover uiten en een euthanasieverklaring opstellen vooral te vinden zijn in de rijen van hen die wel worden aangeduid als ‘het denkende deel van de natie’; dan moeten we dus denken aan de mensen die zich bereid verklaarden tot een gesprek met Els van Wijngaarden over hun doodswens.

Hoe is dat bij de mensen die wat minder intellectueel ingesteld en geschoold zijn, hoe ligt dit in wat we de ‘volkswijken’ noemen? Ik las over een recent Engels onderzoek waaruit naar voren kwam dat niet minder dan een miljoen geënquêteerde ouderen zeggen dat er maanden voorbijgaan waarin ze geen woord wisselen met buren, familie of vrienden; en maar liefst vijf miljoen Engelse bejaarden geven aan dat hun televisieapparaat hun voornaamste vorm van gezelschap is. Het is een aangrijpend beeld van sociaal isolement dat uit dit onderzoek naar voren komt. De Engelse christen-ethicus Michael Banner noemt het treffend ‘de dood vóór de dood’ die mensen vandaag ervaren; Alzheimer duidt hij aan als ‘de dood waar we bang voor zijn’.[5]

Het is enkel een impressie, maar het is voldoende om ons te doen beseffen welke leegte we langzamerhand in onze moderne westerse samenleving hebben laten ontstaan. De vragen rond actieve levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding staan daarmee in een direct verband. Mensen raken in paniek bij de gedachte dat ze hetgeen ze als hun kostbaarste bezit beschouwen, hun bewuste zelfbepaling, zullen verliezen. Daarom laten ze vastleggen dat ze willen dat hun leven beëindigd wordt als ze geestelijk ernstig aftakelen. Maar wanneer is de tijd dan daar om het leven van deze mensen metterdaad te beëindigen? Doet het er nog toe wat ze zelf laten merken of kan en mag de familie voor hen beslissen? Als zo iemand tegenstribbelt, zich verzet en laat merken nog te willen leven, mag je dan als arts doorgaan het leven van deze mens te beëindigen?

En wij?
De vragen rond euthanasie zijn ook in het verleden niet aan ons als christenen voorbijgegaan. Iedereen die wel eens bij een ernstig lijdend familielid of vriend heeft gestaan weet dat we ons er niet gemakkelijk van af kunnen en mogen maken. Het is zonder meer een zegen dat er goede pijnbestrijding beschikbaar is en ook dat er hospices zijn waar mensen in een zorgvolle omgeving hun levenseinde tegemoet kunnen gaan.

De urgentste en belangrijkste vraag vandaag is niet wat er allemaal wel en niet wettelijk is toegestaan. ‘Zelfmoordpoeders’ zijn verboden, maar ze worden op Marktplaats aangeboden en ze zullen hoe dan ook hun weg wel vinden naar de mensen die ze willen hebben. De echte nood is een geestelijke nood. We kunnen het antwoord daarom niet aan de overheid overlaten, al verdienen de pogingen om de huidige wildgroei een halt toe te roepen vanzelfsprekend alle steun. Maar het belangrijkste antwoord geven we zelf. Door als mensen die zelf ‘uit de dood zijn overgegaan in het leven’ (1 Joh. 3: 14) niet langer op en voor onszelf te leven, maar de ander in liefde vast te houden. In liefde vast te houden, wanneer die ander eenzaam is en het leven leeg geworden is. In liefde vast te houden, wanneer hij of zij wegglijdt in dementie.

En als het op onszelf aankomt en wij de diagnose Alzheimer krijgen? De al genoemde Engelse christen-ethicus Michael Banner heeft hardop gevraagd of we hier niet zouden moeten denken aan de martelaren vanaf de tijd van het Nieuwe Testament die alle zekerheden moesten loslaten en vaak op gruwelijke wijze ter dood werden gebracht. De opgestane Christus zegt tegen Petrus: ‘Toen je jong was deed je zelf je ​gordel​ om en ging je waarheen je wilde; maar als je oud geworden bent, zul je je handen uitstrekken, en een ander zal je je gordel omdoen en je brengen waar je niet heen wilt.’ (Joh. 21: 18) Heeft dit woord ons ook iets te zeggen als wij de diagnose Alzheimer krijgen? Is het niet beslissend, dat Christus het tegen Petrus zegt?! Ja, ik denk het zeker. Hij is het immers die heeft beloofd: ‘Zie, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van de wereld …’ (Mat. 28: 20). Dat mag ons vertrouwen zijn als we in het donkere gat van Alzheimer staren. En zij die eromheen staan mogen uitzien naar blijken van Gods trouwe zorg en aanwezigheid in het leven van hen die wij niet meer kunnen bereiken.

Prof.dr. G.C. den Hertog is emeritushoogleraar ethiek te Apeldoorn

[1] Bert Keizer, Voltooid. Nieuw licht op een zelfgekozen dood, Amsterdam 2018, 18.

[2] De titel van het eerste hoofdstuk van Els van Wijngaarden, Voltooid leven, Amsterdam / Antwerpen 2016, 15-23.

[3] Bert Keizer, Voltooid, 70.

[4] Bert Keizer, Voltooid, 49.

[5] Michael Banner, ‘Scripts for Modern Dying: The Death before Death We Have Invented, the Death before Death We Fear and Some Take Too Literally, and the Death before Death Christians Believe in’, Studies in Christian Ethics 29 (2016) Number 3, August 2016, 249- 255.