jaargang 130, nr. 12, 11 juni 2021

Als het gaat over vaders, zullen gelovigen zeker ook denken aan God als Vader. En spreken over God als Vader is voor veel gelovigen meer dan vanzelfsprekend. Echter: zo vanzelfsprekend is het niet. Er zijn nogal wat aspecten die wat dat betreft niet over het hoofd gezien mogen worden.  

Verschil Oude en Nieuwe Testament
Nog heel goed kan ik me mijn verwondering herinneren toen wijlen professor J.P. Versteeg in een van zijn colleges ons wees op het grote verschil tussen het Oude en Nieuwe Testament waar het gaat over het spreken over God als Vader. In het Oude Testament wordt helemaal niet zo vaak over God als Vader gesproken. Dat gebeurt op slechts vijftien plaatsen in het Oude Testament. Die zijn overigens al veelzeggend genoeg. Denk aan Psalm 103: 13: ‘Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt zich de HERE over wie Hem vrezen.’ De plaatsen waar direct God als Vader wordt aangeduid zijn nog zeldzamer. Onder andere Deuteronomium 32: 6 doet dat: ‘Is Hij niet uw Vader die u geschapen heeft?’ Waarbij het ook opvallend is dat God nooit de Vader wordt genoemd van de individuele Israëliet. Als er in het Oude Testament al gesproken wordt over God als Vader, betreft dat God als Vader van het volk Israël of als toespitsing daarvan; God als Vader van de koning, die dan optreedt als representant van het volk.  

In het Nieuwe Testament zien we een totaal ander beeld. De aanduiding Vader voor God komen we maar liefst 170 keer tegen in de mond van Jezus. In Zijn spreken tot God zal Hij het opmerkelijke Aramese (?) woord Abba gebruikt hebben (Mark. 14: 36). Er is wel gesteld dat het woord een specifieke gevoelswaarde zou hebben, vergelijkbaar met zoals bij ons kleine kinderen de aanduiding ‘papa’ gebruiken. Zo kwam ik het tegen bij iemand als Kees Kraayenoord: ‘Toch doet Paulus precies dat. Hij gebruikt het woordje Abba, het woordje dat tot de dag van vandaag Joodse kinderen gebruiken als ze hun papa roepen. Heb jij God al eens Papa genoemd?’ (https://debijbel.nl/leesplannen/de-15-meest-geliefde-teksten/7030) Hetgeen geleid heeft tot grote eenzijdigheden bij denken en spreken over God als Vader die gaan in de richting van lievigheid, uitmondend in liedteksten als: ‘bij de Vader op schoot’. Ook in godsdienst-pedagogische situaties is dat sterk merkbaar. Maar of dat van de relatie tussen de gelovige en God zomaar gezegd kan worden is zeer de vraag. Die opvatting heeft door een invloedrijke Duitse Nieuwtestamenticus veel ingang gekregen bij christenen wereldwijd. Het is echter niet vol te houden. Als de oorsprong van dat woord al gelegen zou zijn in het gebruik ervan door kinderen, later werd het in elk geval ook door volwassenen ten opzichte van hun vader gebruikt, en een leraar kon zo door zijn leerlingen worden aangesproken.  

Bijbelwetenschappers van meer recente datum zijn van mening dat het vaak een persoonlijke aanspreekvorm jegens een eigen vader is. In Griekse vertalingen van het Oude Testament komt het woord abba niet voor, wel in Aramese vertalingen. Om één tekst te noemen: Genesis 20: 12, waar Abraham het heeft over Sara tegen koning Abimelech. Zou daar in het Nederlands vertaald moeten staan: ‘Ik dacht: laat ik maar zeggen: zij is mijn zuster, mijn papa’s dochter’? Tegen een oud-oosterse koning? Romeinen 8: 15 vertaalt het woord abba in het Grieks, waar het gewone volwassenenwoord voor ‘vader’ wordt gebruikt, terwijl volgens taalkundigen de schrijver wel een typisch kinderwoord in het Grieks tot zijn beschikking had. Het is wel zo dat abba een zekere mate van vertrouwelijkheid in zich had, onderscheiden van formele of ceremoniële taal. Op zich is het wel zeer bijzonder dat Jezus juist dit woord gebruikt om God aan te spreken. En nog meer bijzonder is het dat de gelovigen zo ook tot God mogen spreken. Jezus’ tijdgenoten moeten het schokkend hebben gevonden! Het zegt alles over Jezus en Zijn ‘leer’! En over Jezus en Zijn leven en sterven! 

Mag dat zo maar?
Hier en daar wordt geleerd dat je niet te snel God als Vader mag zien. Zo wordt ook het gebruik van het Onze Vader niet zomaar toegestaan. Leert de Bijbel niet dat het alleen maar kan door de Heilige Geest dat mensen roepen: ‘Abba Vader’? En als het nu niet zeker is dat je de Heilige Geest ontvangen hebt met alle werkzaamheden van de Geest in hart en leven? Aan de ene kant is dat niet helemaal onbegrijpelijk, het standpunt getuigt ervan dat het inderdaad heel wat is als mensen God als hun hemelse Vader zien en zo ook tot Hem spreken. Anderzijds leert Jezus mensen zo bidden, of zij zich nu ten volle bewust zijn van de inhoud of niet. Als Jezus in Zijn gebedsonderwijs mensen dit leert, wie zijn wij dan om dat af te wijzen? Dat het er dan wel om gaat om je meer en meer te realiseren wat je zegt als je God aanspreekt als Vader met alle gevolgen van dien, moge duidelijk zijn. 

Onze Vader in de hemel
Het gebruik van de Vadernaam voor God is veelzeggend, zeker als die gebruikt wordt in relatie tot de enkeling. God wil niet alleen de Vader zijn van een volk, en dat is al heel wat, maar ook van de enkele mens. We mogen niet alleen God ónze Vader noemen, maar ook: míjn Vader. En bij Vaderschap in de Bijbel moeten we niet denken aan iets lievigs. Het boek Spreuken, waarin het gaat over een vader en zijn zoon, tekent een sfeer die allerminst wijst in die richting. Het heeft zelfs een zeker stringent karakter. Jezus leert ons niet voor niets in Zijn gebedsonderwijs spreken tot ‘onze Vader die in de hemelen is’. ‘Opdat wij over de hemelse Majesteit van God niet op aardse wijze denken’, zoals de Heidelbergse Catechismus dat uitlegt. God is en blijft de heilige, verheven God. De Vadernaam voor God in de Bijbel wijst wel helemaal op nabijheid, goedheid, zorg, liefde, genade, ontferming, barmhartigheid, geborgenheid, ook op gezag en autoriteit. Dat is zo vaak te zien in de Schriften. Te denken is aan Hosea 11: ‘Toen Israël een kind was heb Ik het liefgehad. En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam het op mijn armen. Hoe zou Ik u prijsgeven? Mijn hart keert zich om in Mij.’ Het duidelijkst is dat te zien in Jezus’ gelijkenis van de verloren zoon. Terecht is wel gesteld dat de gelijkenis beter aangeduid zou kunnen worden als de gelijkenis van de Vader. Want juist de Vader leren we daarin kennen. Een Vader die Zijn kinderen niet voortdurend op de huid zit, maar ruimte geeft, ook al is het gevaar van dwalen en verdwalen niet denkbeeldig. Dat gebeurt dan ook in de gelijkenis. En pas veel later komt de verloren zoon tot inkeer. En wie staat er op de uitkijk? De vader. Een vader die blij is als hij zijn zoon weer terugziet. Die hem genadig uitnodigt terwijl die jongen nog maar net zijn schuldbelijdenis heeft uitgesproken. Een vader die net zo genadig is naar de oudste zoon, en ook hem uitnodigt tot het feest van de genade en de liefde. En Jezus leert: Zo is God. 

Vaderhanden?
De bekende priester Henri Nouwen heeft in zijn boek over deze gelijkenis daar waardevolle dingen over gezegd. Hij doet dat naar aanleiding van zijn beschouwing (want zo mogen we dat wel noemen als je uren voor een schilderij doorbrengt, wat moeten de suppoosten in het museum wel gedacht hebben!) van het schilderij van Rembrandt over de verloren zoon. Hij zegt het nodige over de beide zonen, maar hij zegt nog veel meer over de Vader. In de gelijkenis zien we het hart van God, Gods eerste en eeuwige liefde, het mateloze erbarmen, het innerlijke lichtende vuur van de liefde van de Vader. Volgens Nouwen zou de rode kleur van de mantel daar sterk op wijzen. Volgens hem is er ook iets aan de hand met de handen van de vader. Die zijn verschillend ten opzichte van elkaar. De ene hand is een mannenhand, krachtig en sterk, de andere hand zou een vrouwenhand zijn, zacht en teer. Bij die interpretatie zijn wel vraagtekens geplaatst. Hoe dan ook, in de Bijbel is evident dat op meer dan één plaats het beeld van de moeder naar voren komt om de bijzondere zorg van God aan te duiden. Zie Jesaja 49: 15: ‘Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot?’ Ook Jesaja 66: 13: ‘Zoals een moeder troost zo zal ik u troosten.’ Om een eenzijdig patriarchaal beeld te voorkomen is het van belang ook deze teksten uit te laten spreken. Wat zegt dit alles ons ontzaglijk veel over onze God en HERE! Om stil van te worden. 

Onze vaders op aarde
Dat het vaderschap van God ook iets te zeggen heeft voor het gewone vaderschap mag duidelijk zijn. We komen in de Bijbel ook gewone vaders tegen. Wat we van hen zien voor wat betreft hun vaderschap is lang niet altijd verheffend
Abraham stuurt op instigatie van Sara zijn kind Ismaël met zijn moeder weg (Gen. 21). Izaäk had zijn zoon Ezau lief; dat wordt niet gezegd van Jakob, die kreeg de liefde van zijn moeder (Gen. 27). Een generatie later gebeurt hetzelfde: Jakob had Jozef lief boven al zijn zonen (Gen. 37: 3). Bij Laban gebeurt hetzelfde waar het Rachel en Lea betreft. Hoe verwoestend dat doorwerkt in de latere gezinsverhoudingen laat de Bijbel duidelijk merken. Ook al keert God ten goede wat ten kwade gedacht is. In 1 Koningen 1 zien we Davids zoon Adonia een staatsgreep plegen in het nadeel van Absalom, de beloofde troonopvolger. In vers 6 lezen we als achtergrond daarvan dat David zijn zoon Adonia zijn leven lang geen verwijt gemaakt heeft. Van Eli wordt gezegd dat hij zijn zonen wel vragen stelde over de wijze waarop zij de offerdienst gebruikten ten eigen behoeve, en vrouwen die dienstdeden bij het heiligdom misbruikten. Maar Eli liet hen wel hun gang gaan. Het zijn maar een paar voorbeelden die aangeven dat het vaderschap van diverse personen in de Bijbel ernstig tekortschoot. Gelukkig zijn er ook andere voorbeelden. Denk aan de vader uit Markus 9 die alles op alles zet om genezing te krijgen voor zijn zieke zoon. Jaïrus doet hetzelfde voor zijn dochtertje. 
Het brengt ons op het vaderschap bij ons in onze tijd. Dat gaat ook lang niet altijd goed. Dan moet allereerst gezegd worden dat er meisjes en vrouwen zijn die de aanduiding ‘vader’ zelfs voor God niet kunnen horen omdat zij door hun vader ernstig mishandeld zijn, psychisch of lichamelijk. Of nog erger: misbruikt zijn door hun vader. Dat ze daardoor met levenslange trauma’s door het leven moeten, is op zich al erg. Dat het misbruik door hun vader hun zicht vertroebelt op God als hemelse Vader is zo mogelijk nog erger. Het is te vrezen dat het hier niet gaat om uitzonderingen. Helaas komt het ook voor in kerkelijke kringen. Dat het juist daar voorkomt, is des te ernstiger. Het is vierkant ingaan tegen wat Paulus meer dan eens schrijft in zijn brieven. ‘En gij vaders, verbittert uw kinderen niet’ (Ef. 6: 4 en Kol. 3: 21). Er zijn meerdere meisjes en vrouwen die door de misdragingen van hun vader verbitterd geraakt zijn voor het leven. Wat is er daarin regelrecht ingegaan tegen het appel van de Schriften: ‘Wees dan navolgers Gods’!
Vaders mogen in hun vaderschap iets van God laten zien. Zonder een hele pedagogiek voor vaders neer te zetten, wil ik hier weer graag wijzen op wat de Bijbel zegt over God als Vader. Dan klinken woorden als liefde, geborgenheid, aandacht, trouw, genade, vergeving, barmhartigheid. Deze vaderschapsstijl in doen en laten in het groot en in het klein vorm te geven is de roeping van elke vader. En hoe erg is het als een vader geen Vader heeft!  

(Met dank aan James Barr, “ABBA IS N’T DADDY,” The Journal of Theological Studies, New Series, Vol. 39, no. 1 (april 1988): pp. 28-47, Oxford University Press)