129e jaargang, 31 januari nr.3

We leven in een wereld van na het paradijs. Dat betekent dat we te maken hebben met een gebroken wereld. De doornen en distels zijn er niet alleen op de akker, maar ook in het leven van mensen.

Niet voor niets zegt het gezegde: ‘Waren er geen zonden dan waren er geen wonden’. Zelfs het kinderen baren gaat met smart gepaard. Ieder mens weet wel van lijden in het leven van zichzelf en van dat om hen heen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat één van de vreugdevolle elementen van de nieuwe aarde is: ‘en daar zal niemand zeggen: ik ben ziek!’.

Maar is het nu zo dat God dat lijden allemaal maar laat gebeuren zonder enige verlichting? We kunnen het ons haast niet indenken daar er helemaal niets gedaan zou worden tegen ziekte en zoveel kwetsbaarheid in het leven. Denken we ons even in dat er geen ziekenhuis zou zijn en geen arts en geen hulpverlening. Hoe zou het er dan uitzien in ons leven en in deze wereld?

Weet u wat God deed na de zondeval, voordat  de mens het paradijs verliet? Dat staat zo treffend verwoord in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 17: ‘God heeft de mens getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven.’ Dat als vrucht van de moederbelofte. Die troost van God zie je door heel de Schrift heen, ook in het Oude Testament. De troostende God is er met het oog op Jezus Christus.

We lezen vaak in het Oude Testament over de ontferming van God en over Zijn barmhartigheid en Zijn mededogen. En in al die openbaringen van God komt iets uit van Christus. Het zijn als het ware voorboden van Christus. In al die ontfermingen van God komt uit dat Hij bewogen is over de lijdende mens, Zijn weggelopen schepsel. Elk omzien naar de kwetsbare mens staat in het licht van Jezus Christus, Die alle dingen nieuw zal maken. Helemaal nieuw zonder ook maar één gebrek.

Gods zorg in Zijn wetten
Aan de hand van het Woord willen we eerst uit het Oude Testament iets laten zien en hopelijk laten proeven van de ontferming van God over de hulpbehoevende mens. God voedt het volk Israël op hoe het met zijn bezit zal dienen om te gaan. In Deuteronomium 14: 28 en 29 wordt het volk voorgehouden dat men de tienden van de opbrengst moest brengen bij de poorten. Daar mochten ze komen: de vreemdeling, de weduwe, de wees en daarvan eten en verzadigd worden. En dat het mes van twee kanten snijdt, horen we de Heere zeggen: zo zal de Heere het werk van uw hand zegenen. En dat niet als een wettische zaak – ik geef het maar, dan zal ik wel gezegend worden – maar als een zaak van liefde. Het is zaliger te geven dan te ontvangen. We hebben tenslotte alles van God gekregen, uit louter genade. Zo moest men leren geven, opdat zij God zouden erkennen in Zijn gevende liefde.

Nog een voorbeeld. We vinden het in Leviticus 23: 22. Als men de oogst had binnengehaald, mocht men niet nog eens de akker nalopen en in de hoeken nog wat af gaan maaien: nee, het zal zijn voor de arme en de vreemdeling. En vergeet niet wat er achter staat: ‘Ik ben de HEERE,  uw God.’ Het is in feite alles van Hem. Men moest leren inzien: zo is de HEERE ook voor ons. Dat is toch het echte leven met de Heere: groot en goed van Hem denken en dat dan ook in ons handelen laten uitkomen. Wie is aan onze God gelijk? Evenzo was het met de wijnstok: er mocht geen tweede lezing plaats vinden, wat er nog over was, was voor de armen en de wezen. Voor  welke zonden werden koningen bestraft? Overspel, afgoderijen als derde ook het  veronachtzamen van de armen en wezen door hen geen recht te doen.

Gods zorg in de Psalmen
In de Psalmen horen we ook ruimschoots over Gods zorg voor de armen en wezen. Denk aan Psalm 35: 10. Daar zingt de dichter: ‘Wie is aan de HEERE gelijk, Die de ellendige redt van hem die sterker is dan hij?’ De dichter kon zich niet uit zijn ellendige omstandigheden verlossen. Maar de HEERE betoont Zich een Redder in nood.

Denk ook aan Psalm 41: ‘Welzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens de ellendige.’ De dichter prijst hen die zich vriendelijk en liefdevol gedragen jegens hen die zorg behoeven. Zij laten daarin zien wie de HEERE is. Daarom worden zij ook door de HEERE gezegend. Zelfs op zijn ziekbed mag de dichter ervaren dat zijn ziekbed zo anders is door de ondersteuning van de HEERE.

Om niet meer te noemen uit het psalmboek: Psalm146. We horen daar zingen (in de berijming van 1773): ‘’t Is de HEER, Die ‘t recht der armen, der verdrukten gelden doet’. En in vers 7:  ‘weduwe en wees in twistgedingen, en in kommer staande houdt’. Wat een geweldige troost ook voor mensen van 2020. Dan mag beleefd worden: Want deze God is onze God!

Wat ook opvalt in enkele psalmen, is het verband tussen vergeving en genezing. Psalm 6: ‘Vergeef mij al mijn zonden’, en even verder: ‘genees mij, redt mijn leven’. Ook in Psalm 103: ‘De HEERE, Die al uw ongerechtigheid vergeeft en al uw krankheden geneest.’

Vergeving en genezing
We zullen ook naar het Nieuwe Testament kijken. Daar is de vervuller van Gods beloften: Hij Die Zich ontfermt, Jezus Christus. Op veel plaatsen in de Evangeliën zien we Christus bezig om de nood van verdrukten te lenigen. Velen waren te vinden bij de scharen die kwamen om door Hem geholpen te worden. Vaak lezen we dat Jezus met barmhartigheid bewogen was als Hij de schare zag. Hij peilde als geen ander de diepe nood van de zondaar. Maar Hij zag ook wat voor een ellende de zonde teweeggebracht had.

Zo lezen we in Markus 2 van een verlamde man die door zijn vrienden aan Jezus’ voeten werd neergelegd. Het blijkt dat deze man meer over zijn zonden dan over zijn ziekte in zat. Laten we niet vergeten dat sommige ziekten met een verkeerd geleid leven te maken hebben. Wat kan drank en ontucht al niet met zich meebrengen! In ieder geval laat Jezus merken: wat het zwaarste is moet ook als zwaarste wegen. Als de man voor Jezus ligt, ziet Jezus hem in ontferming aan en geeft hem de rijkste boodschap mee die men ooit kan krijgen: ‘Mijn zoon uw zonden zijn u vergeven’.

Dat zegt ook alles over de eigenlijke zending van Christus. Zijn naam betekent dan ook Zaligmaker, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Dat mag dan ook wel een les voor ons zijn. Zeker is hulp ook een blijk van Gods ontferming, maar het moge leiden tot een geestelijk verstaan van Gods genade. Het gaat in feite om de totale mens. Soms hoor je wel eens zeggen: gezondheid is de rijkste schat. Maar zo’n uitspraak behoeft zeker ook uit het werk van Christus wel correctie. Jezus sprak over de schatten van het Koninkrijk en dan zijn we rijk. Als die verlamde man vergeving ontvangen heeft, dan is hij zalig en gelukkig. Hij had weer naar huis kunnen gaan. Maar Jezus geeft hem ook zijn gezondheid als een teken van de  vergeving.

De tekenen van Jezus waren tekenen van Zijn koninkrijk. Sommigen bleven bij een genezing of broodverzadiging staan en volgden daarom Jezus. Maar daarop geeft Jezus repliek. Het gaat om de betekenende zaak. Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel. Daarom  laat Jezus het bij deze man niet bij de vergeving, maar geeft ook die lamme man genezing. Er is de eenheid van lichaam en ziel. Als mensen deze man aanspreken die nu lopend door de straten gaat, dan kan hij vertellen van het grote heil wat God hem geschonken had, Mijn zonden zijn vergeven!

Dat is wat de ontferming van Jezus Christus uitmaakt.

Innerlijke ontferming
In Mattheüs 9: 36 staat dat toen Hij de scharen zag, Hij met innerlijke ontferming bewogen was omdat zij vermoeid en verstrooid waren als schapen die geen herder hebben. Ze waren de Herder, zoals God Zichzelf noemt, kwijt. Denk maar Psalm 23: ‘De HEERE is mijn Herder.’ En Jesaja 40: 11: ‘Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een Herder.’

Hier is Jezus Christus als de enige Herder van God gezonden, Die de schapen opzoekt. Hij  zoekt hen op in welke struiken ze ook verward zijn. Een 38-jarige zieke, die al zo lang in Bethesda lag en er was niemand die hem hielp. Dan komt Jezus en is met ontferming bewogen, en zag hem, die de allerongelukkigste van de zaal was. ‘Wil je gezond worden?’ Hij is de ontfermende Geneesheer. Als hij mensen opzoekt, dan gebeurt er wat. ‘Ik zeg u: sta op en wandel.’ Ontferming inderdaad. We leren hieruit dat hulp aan de naaste vanuit Christus moet gebeuren en mag gebeuren. Dat maakt zorgverlening zo inhoudsvol. Dan gebeurt dat werk ook biddend.

Wij zien ze vaak te veel gescheiden: de arts en de dominee! De ene voor het lichaam en de ander voor het geestelijke. Maar we moeten niet vergeten dat de hulp aan de naaste een vrucht is van het Evangelie. Ziekenhuizen zijn ontstaan als directe vrucht van het diaconale werk van de kerk. Wij vinden het maar heel gewoon als de ambulance met loeiende sirene en  zijn blauwe zwaailichten met snelheid door de straten gaat, want er staat het leven van een mens op spel. Eigenlijk wordt hier iets zichtbaar van de ontferming van God over het leven van een mens, hoewel hij zondaar is.

In onze tijd hebben we alles geseculariseerd. Alles wat met het Evangelie te maken heeft, moet het ziekenhuis uit. Enkele decennia geleden  werd er in het Diaconessenziekenhuis (let u op de naam?) door de dienstdoende zuster op elke kamer en elke morgen een gedeelte uit de Bijbel gelezen en gebeden. De stoel werd op de gang voor de deur gezet om aan te geven dat er op die zaal het Woord van God gelezen werd. Een dominee mag tegenwoordig nog wel in ziekenhuizen komen, mits hij zich alleen bij zijn eigen gemeentelid houdt, en een ander niet lastig valt met Jezus. Terwijl nota bene het hele ziekenhuisapparaat haar roots heeft in Gods Woord.

Werken van barmhartigheid
Ten slotte: wat houdt naar Gods Woord hulpverlening in? Een heel bekend gedeelte is in dit verband de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 20: 25vv.) Jezus laat zien aan wie je hulp verschuldigd bent. Aan je naaste! Maar wie is dat? Dat is iedereen die God op je weg plaatst en hulp nodig heeft. Zo heeft iemand die beroofd was, zeker niet van een Samaritáan  hulp verwacht. Toen hij zijn hoofd zo goed en kwaad als het kon even oprichtte, dankte hij God toen er een dienaar van God aan kwam. En nog één. Maar wat een teleurstelling. Ze moesten toch eerst wat in de tempel gaan werken? Zij lieten de man liggen al zou die ook gaan sterven. Er kwam nog iemand aan: nee hè, een Samaritaan! Die zou zeker zijn handen niet vuil maken aan een Jood. Maar wat gebeurt? De man neemt tijd voor hem en besteedt geld aan hem. Jezus zegt: kijk, dat is nu barmhartigheid.

En wij? Jezus zegt: ga heen en doe ook alzo! Misschien denkt u of jij: ik maak niet zo vaak heftige dingen mee. Hoeft ook niet! Maar wat betekent het om een levend christen te zijn?  Lees Mattheüs 25: daar staan voor ons de werken van barmhartigheid. We kunnen deze week vast wel één van die werken doen. Jezus komt tot ons in een hongerige, een dorstige, in een vreemdeling, in een naakte, in een zieke, in een gevangene.

Voor zover u dat ‘één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt u het Mij gedaan.’ Wie echt de Heere Jezus nodig kreeg in zijn leven, zal ook de gezindheid van Hem in zekere mate ontvangen en beoefenen. Aan zulke levende christenen heeft de wereld behoefte. Niet maar alleen dát ze naar de kerk gaan, maar vooral dat ze, als ze de kerk uitgaan, christelijk dienstbetoon beoefenen.

Ds. A.K. Wallet is emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woont in Schoonrewoerd