129e jaargang, 22 mei 2020 nr. 11

door ds. H. Korving

Bij de geboorte van de Heere Jezus en bij Zijn lijden, sterven en opstanding kunnen we doorgaans wel snel bedenken wat de zegen van dit heilsfeit is voor ons leven. Maar bij de hemelvaart lijkt dat minder snel duidelijk te zijn. Het is goed om ons in de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren te bezinnen op de blijvende betekenis van Christus’ werk in de hemel ten behoeve van Zijn kerk op aarde.

Dikwijls is opgemerkt dat het wel lijkt alsof de hemelvaart van Christus een beetje stiefmoederlijk bedeeld is wat betreft kerkelijke en theologische aandacht voor dit heilsfeit. Het is in elk geval waar dat de aandacht voor de heilsfeiten onevenredig is verdeeld. Als we wat meer reformatorische eenvoud, soberheid en diepgang zouden betrachten bij de herdenking van álle heilsfeiten, komt het belang van de hemelvaart van Christus vanzelf beter in beeld en meer in balans met de andere heilsfeiten. Die balans en die samenhang is van belang. Alle heilsfeiten hangen immers samen als de schakels van een ketting. Tegelijk kan gezegd worden dat de hemelvaart een climax is: de bekroning op het volbrachte werk dat eraan voorafging. Nadat Christus alles heeft volbracht wat nodig was om het heil te verwerven, is Hij nu in de rechtmatige positie om Zijn heil uit te delen en te waken over Zijn kerk op aarde. Daarin is Hij rusteloos werkzaam. Van het belang van dit heilsfeit kunnen we dus niet genoeg doordrongen zijn. Want hoe zou het aflopen met de kerk op aarde als Christus niet in de hemel was? Na de hemelvaart is het Pinksteren geworden: Hij heeft Zijn Geest in zo’n rijke mate uitgestort, dat de kerk op aarde goed af is met de hulp, leiding, troost en bijstand van deze Parakleet (doorgaans vertaald als Trooster of Advocaat, maar het betekent ook in de meest brede zin van het woord: Helper). Door de presentie en het werk van Zijn Geest vervult Christus in de hemel Zijn belofte op aarde: Zie, Ik ben met u, elke dag.

De hemel
Voor rationeel ingestelde westerlingen is het in toenemende mate lastig om zich iets voor te stellen bij de hemel. Velen vluchten in een omschrijving van de hemel die vooral neerkomt op sfeer of toestand, niet op een plaats. Het gevaar van deze vlucht is echter dat de hemel zelf ook vluchtig wordt. Wie de werkelijkheid van de lichamelijke opstanding serieus neemt – en dat doet iedere belijdende christen – die zal beseffen dat de lichamelijkheid van Christus na Zijn opstanding zowel reëel is (tastbaar en te lokaliseren) als nieuw, anders, meeromvattend, namelijk behorend bij de nieuwe dimensie van Zijn heerlijkheid. De hemel is op diezelfde manier te zien als de geestelijke werkelijkheid van de plaats waar God woont, het huis van Zijn Vader (Joh. 14: 1-2), waarvan de rijke dimensies zich aan het natuurlijk oog onttrekken. Maar het geloofsoog ziet scherp.

Het zien op Jezus
Het valt op dat de Heere Jezus bij Zijn hemelvaart niet ineens heel plotseling verdwenen blijkt te zijn, maar dat Hij Zich langzaamaan aan het oog van Zijn discipelen onttrok. Ze staarden Hem vanaf de Olijfberg na, totdat Hij uit hun zicht verdwenen was (Hand. 1: 10). Hij gaf Zijn discipelen de gelegenheid het goed op zich in te laten werken en diep tot zich door te laten dringen, zodat zij ook grondig overtuigd waren van de werkelijkheid die zij zagen. Lukas gebruikt voor het zien op Jezus in hoofdstuk 7 hetzelfde werkwoord bij de steniging van Stefanus: ‘Hij hield zijn ogen naar de hemel gericht en hij zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan de rechterhand van God’ (Hand. 7: 55). Hij zag het, door het geloof, met verlichte ogen. Hij kon het zien omdat hij vervuld was van de Heilige Geest. Maar de leden van het Sanhedrin zagen het niet. Het is een werkelijkheid die alleen te zien is door het geloof. In dit voorbeeld van Stefanus komt meteen naar voren wat de zegen is van de hemelvaart van Christus voor Zijn kerk op aarde – en dat geldt niet alleen voor Bijbelse tijden, maar tot op de dag van heden. Christus blijkt intens mee te leven met Zijn lijdende discipel en Zijn strijdende kerk. Op deze manier wordt de belofte ingelost: ‘Zie ik ben met u, elke dag.’ Zijn meeleven komt op drie manieren naar voren. Dit valt te beschrijven onder het gezichtspunt van het drievoudig ambt van Christus.

De Koning die regeert
Tijdens Zijn omwandeling op aarde heeft Jezus Zijn leerlingen er al op gewezen dat Hij, de Zoon des Mensen, eens gezeten zal zijn op Zijn troon aan Gods rechterhand (Matth. 19: 28; 2: 21; Hebr. 1: 3,8,13). Dit motief uit Psalm 110 wordt vaak geciteerd in het Nieuwe Testament in verband met de verheerlijking van Christus. Met Zijn Koninklijke macht regeert en beschermt Hij Zijn kerk. Alle vijanden van het Rijk van Zijn genade zullen eens onder Zijn voeten verpletterd worden. Het boek Openbaring laat zien hoe Christus vanuit de hemel Zijn macht aanwendt om de kerk te bewaren in de verdrukking en om het woeden van de antichrist te beteugelen. Wie zou menen dat het gezeten zijn op de troon duidt op een passieve houding, wordt in Handelingen 7 uit de droom geholpen: Stefanus zag immers dat Christus stond, en dat laat zo mooi uitkomen hoe alert en actief de Koning in de hemel is. Dat was voor Stefanus meer dan genoeg toen de stenenregen op hem neerdaalde en niet door ingrijpen van Christus werd verhinderd: dat hij zich onder de hoede van zijn Koning mocht weten was hem zoeter dan het leven zelf.

De Profeet Die spreekt
De opdracht die Christus aan Zijn discipelen gaf om het Evangelie onder alle volken te verkondigen, is de manier waarop Hij als onze hoogste Profeet (Hebr. 1: 1) blijft dienen. Zijn Woord klinkt in heel de wereld. Langs deze weg brengt Hij de Zijnen toe. De prediking van het Evangelie is tegelijk de voedselbank voor Zijn hulpbehoevende en armlastige kerk. Arme zondaren worden door hemelse wijsheid zalig. En ze worden ook heilig, dat is bekeerd van hun gerichtheid op de dingen van beneden, om nu te zoeken de dingen die Boven zijn. Sursum corda, de harten omhoog! is de dagorder vanuit het hoofdkwartier.

De Priester Die bidt
Het is met name de brief aan de Hebreeën die het werk van Christus beschrijft onder het gezichtspunt van het hogepriesterlijke werk. Het priesterwerk op aarde raakt het offer dat Hij bracht en dat zo door God is aanvaard dat het verzoening als vrucht heeft. Op grond van de verzoening kan de hogepriester tot God naderen om op grond van Zijn offer te pleiten voor het verbondsvolk. Dit naderen tot God wordt getekend in termen die herinneren aan de gang van de hogepriester, die op de Grote Verzoendag in het heilige der heiligen tot de ark van God mocht naderen. Alleen doet Christus dit nu – niet in het aardse maar – in het hemelse heiligdom (Hebr. 9: 24). Zijn (koninklijk) zitten aan Gods rechterhand en Zijn hogepriesterlijke werk blijken aan elkaar verbonden te zijn: ‘Maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God’ (Hebr. 10: 12). Hij leeft altijd om op grond van dit offer voor Zijn volk te bidden (Hebr. 7: 25).

Ons burgerschap is in de hemel
Ontelbaar zijn de zegeningen die voor Zijn kerk voortvloeien uit Christus’ plaats en werk in de hemel. De oefeningen van het geloof zijn nodig om daar meer zicht op te krijgen en meer uit te leven. De christen leeft bij het licht van Christus’ profetisch Woord, staat onder Zijn koninklijke leiding en bescherming en leeft onder de biddende en zegenende handen van zijn Hogepriester. Wat zou de last van onze zorgen en moeiten lichter worden als we dat meer beseften. Wat zou onze levenswandel er meer van getuigen dat we wel in de wereld zijn, maar niet van de wereld. Ons burgerschap is in de hemel: de christen reist door deze wereld met een paspoort van het Koninkrijk der hemelen, getekend met Jezus’ dierbaar bloed. Dat geeft een biddend leven. Het is ook een leven met verwachting: eens daar te zijn waarheen Hij is voorgegaan.

Het gebed
Hoe vertaalt zich dit naar de praktijk van het leven? Laten we allereerst dan het gebedsleven noemen. Een ware christen is iemand die gebedsleven kent, de omgang met de Heere; dat daarmee niet het gebed als ritueel of als religieuze formaliteit is bedoeld, is wel duidelijk. Toch komen we in de pastorale praktijk nogal eens gebedsproblemen tegen. Hoe gemakkelijk wordt ons gebed toch als een werk opgevat met als direct gevolg dat wanneer de verhoring – althans zoals wij die al in onze gedachten ons hadden voorgesteld – uitblijft, men twijfelt of God wel hoort, of men twijfelt of men zelf wel goed genoeg gebeden heeft. Wie zich echter in de voorbede van Christus in de hemel heeft aanbevolen en zich in Zijn voorbede begrepen weet – en dat zijn allen die hun hulp en heil van Hem alleen verwachten – die kunnen van die kramp verlost worden. Mijn gebed is namelijk nooit goed genoeg, maar Zijn gebed wordt nimmer afgewezen. Wat gelukkig dat Hij als de grote Hogepriester in de hemel onafgebroken bidt en pleit voor de Zijnen (Rom. 8: 34). Wij weten permanent en structureel niet hoe we bidden zullen zoals het behoort. Hij wel. Over de voorbede van Christus zou u artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog eens moeten nalezen. Het heeft denk ik ook wel iets te zeggen dat juist dit het meest uitvoerige artikel is in de hele geloofsbelijdenis. Van Hem zegt Hebreeën 4 dat Hij medelijden heeft met onze zwakheden. Hij Die door Zijn offer de weg heeft vrijgemaakt naar de genadetroon, moedigt ons aan om steunend op Zijn verdiensten biddend tot God te gaan. Daar is barmhartigheid en genade te vinden, en daarmee wordt u, zwakkeling, geholpen en gesterkt, op de tijd die God het meest geschikt vindt. Dit vraagt van de biddende christen twee dingen: allereerst dat Zijn genade u genoeg is in álle omstandigheden van het leven, en vervolgens het vertrouwen dat de Heere ook in uw concrete noden de beste oplossing weet en de beste tijd.

De hoop
Dat Christus lichamelijk ten hemel is gevaren, bergt een bijzonder aspect van de christelijke hoop in zich. De hemelvaart is immers niet een privé-aangelegenheid van de Heere Jezus. Ook dit werk deed Hij als Borg en Middelaar, als vertegenwoordiger van de Zijnen. Zijn nieuwe en verheerlijkte lichaam is als zodanig een onderpand van de lichamelijke opstanding en verheerlijking van de gelovigen. Dat laat dus uitkomen dat ons lichaam en onze lichamelijkheid ertoe doen. Er is in de Bijbelse hoop geen sprake van een onderwaardering van het lichamelijke. Wij zijn door God in de prachtige twee-eenheid van lichaam en ziel geschapen; de zonde werkt door in de hele mens en de smartelijke scheiding van lichaam en ziel in de dood is er een bittere vrucht van; maar uit genade wordt de christen met lichaam en ziel gered en vernieuwd. De hemelvaart van Christus geeft aan de gelovige een waarborg dat ook zijn lichaam een heerlijke vernieuwing en eeuwige bestemming ontvangt. De inwonende Geest is het onderpand van die toekomstige heerlijkheid (Rom. 8: 11). Juist dat is een bron van kracht als we persoonlijk te maken hebben met lichamelijke beperkingen, ziekten en gebreken. In de tijd tussen Hemelvaart en wederkomst hebben we te maken met gebrokenheid en zuchten. Maar Hij Die ons is voorgegaan met een verheerlijkt lichaam is ook in dit opzicht de Eersteling: de Eerste van velen die Hem zullen volgen. Dat zijn allen die op de school van de Geest hebben leren zoeken wat Boven is, waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God (Kol. 3: 1). Ons ten goede!

Ds. H. Korving is predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk op Urk (Maranatha)